Overweging 20 oktober 2019 door Jeffrey Korthout

Bij Exodus 17, 8-13 en Lucas 18, 1-8

Bij mijn eerste poging de lezingen van vandaag te doorgronden kreeg ik er een ongemakkelijk gevoel van. De boodschap lijkt namelijk op het eerste gezicht iets van: als je maar gewoon heel erg hard bidt, de hele dag door, dan komt het uiteindelijk wel goed. En dat voelt voor mij ongemakkelijk. Te vroom op een bepaalde manier en ook hard naar mensen die de weg naar het goede leven niet terug weten te vinden: dan had je maar meer moeten bidden; of je geloof is gewoon niet sterk genoeg.

Daar kan ik allemaal niets mee. Het lijkt me teveel op de boodschap van onze maakbare samenleving waarin geluk je eigen keuze is geworden. En als je niet gelukkig bent, tja, dan had je maar gezonder moeten eten, meer moeten sporten, meer vrienden moeten hebben of harder moeten werken.

Ik wil jullie daarom vanochtend meenemen met mijn zoektocht door beide teksten om zo te ontdekken of er meer over te vertellen is dan dit.

In de eerste lezing uit Exodus spelen de Israëlieten de hoofdrol. Ze zijn net ontsnapt uit Egypte onder leiding van Mozes en worden moe en afgemat van de lange reis notabene in de rug aangevallen voor de Amalekieten. Jozua krijgt de opdracht om als tegenaanval de legers van de Israëlieten aan te voeren en Mozes neemt samen met zijn broer Aaron en ene Hur, zijn schoonbroer, plaats op de top van een heuvel. Een heuvel, dichtbij God daar in de hoge hemel dus. En wat blijkt? Als Mozes zijn handen opheft naar God, hebben de Israelieten de overhand in de strijd, en als hij ze weer laat zakken, hebben de Amalekieten de overhand. Er rust dus nogal wat verantwoordelijkheid op zijn ‘schouders’, of beter gezegd ‘handen’ in dit geval. Het is al niet fijn om de hele tijd je handen omhoog te moeten houden, maar op deze manier rust er wel heel veel gewicht op! Geen wonder dat hij snel vermoeid raakt. Aaron en Hur regelen dan een steen voor Mozes om te zitten en ze ondersteunen zijn handen. Op die manier overwonnen hier de Israëlieten de Amalekieten. Of te wel: door je maar onophoudelijk tot God te richten, en onophoudelijk te bidden, te smeken zo je wil, overwin je de strijd tegen de vijanden. Bidden klinkt niet heel bloederig, maar de uitslag was wel een bloederig geheel. De Amalekieten zijn uiteindelijk allemaal uitgeroeid en blijven dood en bloedend op het slagveld achter. Fijne God, die mensen voortrekt omdat ze wel in hem kunnen geloven en ze vervolgens een bloederige overwinning schenkt ten koste van de levens van anderen…

Maar wie of wat zijn nu eigenlijk die Amalekieten die daar dood en bloedend achterbleven? Sommige bronnen koppelen de Amalekieten aan Esau. De broer van Jakob die door Jakob zijn rol als aartsvader op listige wijze is ontnomen. Amalek is dan de kleinzoon van Esau en zijn volk is aartsvijand van de Israelieten. Het volk van Amalek moet daarom ook volgens de Thora ten allen tijde, elke generatie opnieuw, bestreden worden. Bij archeologisch onderzoek naar dit volk is echter nog nooit enig bewijs gevonden voor het bestaan ervan. Andere bronnen stellen dan ook dat Amalek geen echt volk is, maar staat voor de duisternis in ons, onze wanhoop, ons wantrouwen en ongeloof. Op die manier is het verhaal van de strijd van Mozes en Jozua tegen de Amalekieten geen bloederige strijd meer tegen een vijandig volk, maar een innerlijke strijd in ons mensen. Dan gaat het niet over mensen van toen, maar over mensen van alle tijd, ook in deze tijd, wijzelf dus, hier en nu. Die strijd is namelijk voor eeuwig, elke generatie opnieuw. Het is onze dagelijkse worsteling met het leven van alledag, waar wantrouwen, duisternis en wanhoop altijd op de loer liggen. Sommige dagen gaat alles van een leien dakje, alles loopt lekker, iedereen  om je heen ‘doet lief’ en je hoort vooral positief nieuws over de wereld. Maar andere dagen zijn weer zwaar en leeg, voel je je moe en alles loopt moeizaam en iedereen om je heen ‘doet stom en vervelend’ en het nieuws staat bol van ellende. Dat is het moment dat soms of vaak, de wanhoop ons overvalt, of in de termen van ons verhaal: Amalek overvalt ons.

Altijd als we afgemat zijn en moe. En dan natuurlijk het liefst in de rug, zodat we hem niet zagen aankomen en we verzuchten: ‘dat kan er ook nog wel bij!’. Dat is het moment van de strijd met Amalek, waarop we zelf al vaak automatisch onze handen opheffen. Hoe mooi is dan de gedachte dat Mozes voor ons zijn handen opheft naar God, en voor ons bidt, biddend om licht en om hoop. Maar zelfs Mozes, zo verteld dit verhaal ons, kan dat niet af in zijn eentje. Zelfs het geloof van Mozes is daar niet sterk genoeg voor: zijn broer en schoonbroer zijn nodig om hem te ondersteunen. En dan, uiteindelijk, pas als de zon weer ondergaat, is de strijd gestreden en kun je wellicht een keer een nacht slapen zonder te piekeren. We kunnen het blijkbaar niet alleen: altijd maar positief zijn en blijven, het licht zien, blijven geloven in een goede afloop en altijd vertrouwen hebben. We hebben daar elkaar voor nodig. Zelfs de meest gelovige en positief ingestelden onder ons, die het altijd wel zien zitten, kunnen hun handen niet voor altijd omhoog houden, biddend op een goede afloop. Wij allen hebben ondersteuning nodig van mensen om ons heen.

De lezing van Lucas geeft nog een stukje extra bemoediging hierbij. Jezus vertelt een gelijkenis over een weduwe en een onrechtvaardige rechter. Een rechter die recht moet spreken, maar zelf meer houdt van wat krom is. En toch doet hij de weduwe recht tegenover haar tegenpartij. Wie de tegenpartij is wordt niet duidelijk. Misschien is de tegenpartij haar schoonfamilie die haar de erfenis van haar man ontzegd heeft en haar daardoor tot een leven in armoede dwingt? In ieder geval zijn de tegenpartij en de rechter haar Amalek waar zij de strijd mee aan moet gaan. Het onverwachte is dat de rechter, die zijn naam geen eer aan doet, haar toch recht doet. Ondanks dat hij volgens eigen zeggen een broertje dood heeft aan God en mensen, is juist hij degene die haar recht doet. Hij doet dat weliswaar uit angst dat zij hem anders misschien wel ‘in het gezicht zal slaan’, maar het resultaat is hetzelfde. Blijkbaar heeft het goede soms een zetje nodig, ook al is dreiging met geweld niet iets om trots op te zijn. Jezus stelt ons vervolgens de vraag: zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen? Of te wel: zal de rechtvaardige rechter, die in tegenstelling tot de rechter in dit verhaal wel staat voor wat recht is, dan geen recht doen aan mensen die op Hem vertrouwen? Dus blijf altijd hopen op een goede afloop, vertrouw daarop, bidt daar onophoudelijk voor. Zelfs al laat God ons voor ons gevoel soms enorm lang wachten: houd moed, houd vol.

En zoals al gezegd sta je bij al dat bidden, hopen, wachten en volhouden niet alleen. Hoop houden, volhouden moeten we samen doen, elkaar ondersteunend, elkaar bemoedigend en elkaar opvangend als we blind achterover vallen. Zodat we hoe lang het ook lijkt te duren en hoeveel tegenslagen we ook te verwerken krijgen, samen geloof houden in die goede afloop dat er ooit hier op deze aarde een wereld zal zijn waar gerechtigheid is en genade, waar vrede niet wordt bevochten, waar troost en vergeving is, waar dieren niet worden gepijnigd en nooit één mens meer gemarteld wordt.

Dat het zo zal zijn.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *