Overweging 17 november 2019 door Nico Meijer

Bij Exodus 3, 1-15 en Lucas 20, 27-38

Hij was altijd jurist geweest. Advocaat. En daarnaast had hij vrijwilligerswerk gedaan in de wetswinkel, de juridische EHBO, waar mensen gratis terecht konden voor rechtskundig advies en waar hij jonge juristen had begeleid en hun de kneepjes van het vak had bijgebracht.

Nu lag hij in het ziekenhuis, voor de derde keer al dat jaar, op de longafdeling. En deze keer leek het echt menens te worden. Tegen de pastor van de afdeling, die langs kwam, had hij gezegd: “Ja, ik ben er weer. Ik heb longkanker en ik ga dood”. Recht voor zijn raap, zonder er doekjes om te winden. Zo was hij altijd al geweest. Direct, rationeel. Er ontspon zich een gesprek.

Nee, naar de kerk ging hij al lang niet meer. Vroeger had hij als dienstplichtig militair gevochten in Nederlands-Indië. Daar had hij gezien, dat de legeraalmoezenier niet met de jongens meetrok naar het eerste front, de vuurlinie, maar veilig achterbleef in het tweede front. Toen was er bij hem iets geknapt. Vanaf die tijd  hoefde de Kerk van hem niet meer. En God? God moest nog maar bewezen worden.

Op het einde van het gesprek zei de pastor: “Soms bid ik wel eens met patiënten. Zou u daar voor voelen?” Inwendig dacht hij: “Moet dat nou? Maar ja, zo’n pastor doet ook zijn werk, dus vooruit maar”. En zo werd, al biddend, wat hij over zijn leven had verteld, over zijn vrouw, over zijn kinderen, over zijn werk en over zijn onzekere toekomst voor God gebracht. En volgde een lange stilte.

Na een paar dagen kwam de pastor nog eens kijken. Het ging duidelijk slechter. Tijdens het gesprek liet hij zich terloops ontvallen: “Ja,  en we moeten zo meteen ook nog even bidden”. Het had hem kennelijk geraakt.

Enkele dagen later, het was paaszaterdag, overleed hij. Na de feestdagen kwamen zijn vrouw en zijn zoon naar het ziekenhuis om het volgende te vertellen.

 

Twee dagen vóór zijn dood stonden ze als familie rond zijn bed. Hij lag al een tijdje stil voor zich uit te staren. Toen ze hem aanstootten, in de trant van “He, wij zijn er ook nog”, zei hij: “Ik heb zo juist mijn vader en mijn moeder gezien. Hier voor mijn bed. Ze zagen er heel gelukkig uit”. En hij beschreef hoe ze gekleed waren. “Ja”, had zijn zus gezegd, “zo’n jurk had moeder inderdaad”.

Hij was er zo vol van, dat hij de rest van de dagen over niets anders meer heeft gepraat dan daarover. Hij had gezegd: “En nou moet er ook  niemand meer aan mijn bed komen om te zeggen, dat er na de dood niets meer is, want dat is niet waar!”

De discussie of er leven na de dood is, is niet van vandaag of gisteren. Ook ten tijde van Jezus was daar al verschil van mening over. De Sadduceeën , zeg maar de traditionelen, de aristocratische priesterfamilies rond de tempel in Jeruzalem, moesten van een leven in het hiernamaals niets weten. Dat was allemaal nieuwlichterij, modern, nieuwerwets gepraat van de Farizeeën, die dat dus wel geloofden. Vandaar dus dat absurde verhaal van die vrouw die zeven maal getrouwd was geweest en hoe dat dus later zou moeten.

Jezus zal in deze toch wat dichter bij het standpunt van de Farizeeën hebben gestaan, waar hij zegt: “In het huis van mijn Vader zijn vele woningen”.

 

Rationele argumenten voor een leven na de dood zijn er niet. Net zo min als je het bestaan van God rationeel kunt bewijzen. Maar wellicht kunnen wij hem wel langs andere wegen op het spoor komen.

Bram van Moerland, deskundige op het terrein van de gnostiek heeft een vrije hertaling gemaakt van het Aramese Onze Vader, dat begint met: “Bron van Zijn, die ik ontmoet  in wat mij ontroert”. Ontroering als weg, waarlangs wij met de Bron van Zijn in contact komen.

Geraakt worden. Je laten raken. Je verbazen over de geheimen en wonderen der schepping. Die verbazing hoeft niet door de rede te worden uitgeschakeld. Naast ratio, de rede is er ruimte voor admiratio, verwondering. Zoals je geraakt kunt worden door de ogen van een pasgeboren kind, die je aankijken tot in je ziel. Daar staat je verstand bij stil. “Bron van Zijn, die ik ontmoet in wat mij ontroert”. We zullen het zo meteen samen bidden.

 

De Poolse schrijver Czeslaw Milosz,  winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur in 1980, vergelijkt ons leven met een borduurwerk. Tijdens ons leven zien wij  alleen de bovenkant van dat borduurwerk. Afbeeldingen van dieren, landschappen. Pas na de dood zien we ook de achterkant, de voering, hoe het in elkaar zit, de samenhang, het verband.

 

Wanneer ik doodga, zie ik de voering van de wereld.

De achterkant, achter de vogel, berg, zonsondergang,

de ware betekenis die om ontcijfering roept.

Wat ongerijmd was, wordt vanzelfsprekend.

Wat onbegrijpelijk was, wordt dan begrepen.

 

Maar als de wereld nu geen voering heeft?

Als op de tak de lijster niets meer betekent

dan lijster op tak, onbekommerd om een zin,

de dag volgt op de nacht

en er op aarde niets is dan deze aarde?

 

Zelfs als het zo zou zijn, blijft toch

het woord dat, eens door een sterfelijke mond gewekt,

zal rennen, rennen, een onvermoeibare gezant,

over interstellaire velden, wervelende melkwegen

en protesteren, roepen, schreeuwen.

 

De werkelijkheid die we waarnemen verhevigt het verlangen naar de werkelijkheid achter die werkelijkheid. “Wanneer ik doodga, zie ik de voering van de wereld”. Waar we nu nog geen zicht op hebben, de mysterieuze verwevenheid van de dingen, wordt ons dan geopenbaard.

Maar achter die gelovige verwachting volgt onmiddellijk de twijfel: ”Maar als de wereld nu geen voering heeft. Als een lijster op een tak niet meer is dan lijster op tak?” Geloof in de zinvolheid van het menselijk avontuur gaat samen met de storende stem van de twijfel. De Tjechische theoloog Tomas Halik noemt dat zelfs “het kruis van de twijfel” en “de last van het geheimenis”. Dat meldt ons toch de wetenschap: werkelijk is enkel wat wetenschappelijk te bewijzen is. En in het geloof valt er niets te bewijzen.

Maar voor de dichter is dat niet het laatste woord: De verwondering, de verbazing, de ontroering zijn door geen wetenschappelijk net te vangen. En hij zal dat blijven roepen tot hij er bij neervalt.

 

Dat wij open blijven staan voor die niet-wetenschappelijk te bewijzen dimensie van de werkelijkheid, dat de antennes van onze ziel, onze voelsprieten blijven uitstaan naar die werkelijkheid achter deze tastbare werkelijkheid, de voering van de wereld, dat ons hart zich mag blijven verwonderen en laten raken door die Bron van Zijn, dat  ons dorstend hart gelaafd mag worden door  levend water.

Amen.

 

Slotwoord

 

Tenslotte nog een gedicht van een meisje, dat ook op de drempel van de dood staat, het dochtertje van Jaírus, wachtend op Jezus, die haar beter zou maken.

 

Ik ben de kleine dochter van Jaïrus,

ik lig hier op een veel te grote baar.

De dood zit in mijn ogen en mijn haar,

dat, nu de krul er uit is, zonder zwier is.

 

Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,

slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.

Ik weet dat twee maal twee tezamen vier is,

maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.

 

Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet?

Er zou een man, die toveren kon, komen,

mij beter maken, maar toen kwam hij niet.

 

De mensen op het dak en in de bomen

gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.

Morgen ben ik de eerste die hem ziet.   (Ed Hoornik)

 

maar ik blijf van hem dromen,

Morgen ben ik de eerste die hem ziet.

Is dat niet prachtig!

 

Ik wens u toe, dat ook wij van hem blijven dromen.

Gaan wij daarom heen in vrede met de zegen van

God, in wie wij leven, bewegen en zijn,

van Jezus, zijn evenbeeld en onze broeder,

van de Geest, de gloed van al wat leeft. Amen

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *