Overweging zondag 18 oktober 2020 door René Munnik

Bij Jesaja 45, 4-6 en Mattheus 22, 15-22

Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort

Dat is de centrale zin, zo je wilt het slotakkoord van de tweede lezing van vandaag. Die tweede lezing, en met name deze zin, schijnt op het eerste gezicht voor zichzelf te spreken. De betekenis lijkt duidelijk: geef aan ieder van die twee het zijne. Het zou dan gaan om een keurige scheiding tussen de aanspraken van de keizer – zeg, de overheid of de staat – aan de ene kant, en de aanspraken van God aan de andere kant. Zeg maar, de moderne scheiding tussen kerk en staat, of nog anders: de scheiding tussen geloof en politiek, tussen de godsvrucht en burgerplicht.

Maar schijn bedriegt, en met name bij dit verhaal moet je je werkelijk verdiepen in de religieuze en politieke omstandigheden uit de tijd van Jezus, om te begrijpen wat hier eigenlijk aan de hand is. Laten we kijken.

In de val

Deze hele scène speelt zich (net als de lezingen van de afgelopen weken) af na Palmpasen als Jezus met een feestelijke intocht in Jeruzalem is onthaald – als een bevrijder van het volk. Men riep: “Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. Hosanna in den hoge” (Mt. 21,9). Dat was in het verkeerde keelgat geschoten van zowel de religieuze als de wereldlijke leiders. Bij de religieuze leiders omdat ze vinden dat Jezus, deze man uit Nazareth, niet mag pretenderen de Messias te zijn, en bij de wereldlijke leiders omdat die een Messias zien als een verzetsheld tegen hun gezag. Kortom, het net sluit zich om Jezus, hij gaat zijn noodlot tegemoet. Maar zover is het nog niet… men zoekt naar beschuldigingen door hem in de val te lokken. Er worden Farizeeën en Herodianen naar hem toegestuurd met de vraag:  “Is het toegestaan de keizer belasting te betalen?”.

Dilemma

Dat is een rotvraag; het is een valstrik. Want de keizer in dit verhaal is niet zomaar een politieke gezagsdrager, het is de Romeinse keizer, een welbepaalde persoon, genaamd: Tiberius. Dat wil zeggen: de keizer die hier bedoeld is, is de heerser over de bezettingsmacht die Israël op dat moment onder de duim houdt. En belasting betalen aan de keizer betekent dus: geld geven aan de bezetter. Geld waarmee hij zijn onderdrukking van Israël kan financieren. Vanuit joods opzicht is dat: collaboreren, heulen met de vijand. Daarmee wordt Jezus voor een dilemma geplaatst. Want wat kan hij antwoorden? Als hij antwoordt dat het wèl toegestaan is om belasting te betalen aan de keizer, dan laat hij blijken dat hij een collaborateur is, en dus nooit de Messias, de gezalfde Zoon van David kan zijn. Maar als hij antwoordt dat dat niet toegestaan is, dan maakt hij zichzelf meteen verdacht als een weerspannige verzetsman die door de Romeinse bezetter kan worden vervolgd.

Wedervraag

Maar Jezus beantwoordt hun vraag niet met een ‘ja’ of een ‘nee’. In plaats daarvan stelt hij een wedervraag; hij verzoekt hen om hem zo’n belastingmunt te laten zien. Dat doen ze. En om te begrijpen wat er dan gebeurt, moet je iets weten over het Romeinse muntgeld, en over de joodse weerzin tegen dat geld. Voor vrome joden waren Romeinse munten bij uitstek onrein. Die raakte je niet aan en hield je niet in je hand. Waarom? Omdat daarop een afbeelding van de keizer staat. En voor vrome joden geldt, net zoals voor moslims, het verbod om beelden te maken. Je zult daarom in geen enkele synagoge of moskee een afbeelding van een mens, zelfs niet van een dier, laat staan van God aantreffen. Dat is tegenwoordig zo, en gold toen ook al. Maar op het Romeinse muntgeld stond overduidelijk het beeld van de keizer. En dat niet alleen… Om dat beeld van de keizer stond ook nog eens een randschrift die luidde: ‘Tiberius, de zoon van de goddelijke keizer’.  En dat laatste – die vergoddelijking van de keizer – was helemaal godslasterlijk in joodse oren. Zelfs hun eigen joodse koning David was een gewoon mens geweest en geen god, laat staan dat zo’n Romeinse hotemetoot dat zou zijn. Het gangbare Romeinse geld was, kortom, onrein, besmet, onaanraakbaar.

De Romeinen begrepen dat en daarom bepaalden ze, pragmatisch als ze waren, dat de joden met eigen munten hun belastingen mochten betalen. Dus met muntstukken waarop geen aanstootgevende beelden of teksten stonden.

Geld dat niet stinkt

Nu terug naar het verhaal: Jezus stelt dus een wedervraag… hij vraagt de farizeeën om hem een Romeins muntstuk te laten zien. En wat blijkt? Ze kunnen hem zo’n munt laten zien want ze halen die zelf uit hun eigen zak; een Romeinse denarie, met het beeld van de keizer erop en met het godslasterlijke randschrift. Blijkbaar geldt voor die joodse religieuze fijnslijpers dat ook onrein Romeins geld niet stinkt. Geen wonder dat hij ze ‘huichelaars’ noemt, want dat zijn ze. Hij heeft hen door; ze hebben dat onreine geld in hun eigen portemonnee. Eigenlijk zijn ze hier al ontmaskerd. Als het om een politiek debat tussen de farizeeën en Jezus zou gaan dan heeft Jezus met vlag en wimpel gewonnen. Misschien was dat ook wel een bedoeling van de evangelist Matteüs: om de ethische en religieuze superioriteit van Jezus goed te laten uitkomen tegenover de schijnheiligheid van de moraalridders.

Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?

Maar er is meer. Want Jezus vraagt vervolgens: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’. En iedereen weet: daar staat de keizer op, in beeld en in woord. Dan volgt die gevleugelde uitspraak: ‘Geef de keizer wat van de keizer is, geef aan God wat God toebehoort’.

De oren waarmee je luistert

Het komt er nu helemaal op aan met welke oren je naar die uitspraak luistert… Romeinse of joodse oren.

In Romeinse oren is er niets aan de hand, want het klinkt als: Geef de keizer het kapitaal waar hij aanspraak op maakt. En dat is het eigenlijk, want wat een jood verder aan zijn god geeft? Ach, hij doet maar. Dat interesseert een Romein niet, zolang de centen maar naar keizer gaan.

Gun al die lui die idolaat zijn van zichzelf van harte de fietspomp waarmee ze zichzelf tot goddelijke proporties oppompen.

Maar in joodse oren klinkt er heel wat anders, namelijk: geef de keizer zijn eigen beeld en opschrift; geef hem wat hij wenst: zijn imposante postuur… zijn beeld, zijn zelfbeeld, zijn imago, zijn vergoddelijkte spiegelbeeld. En je begrijpt: het maakt daarbij weinig uit of die keizer ‘Tiberius’ heet zoals in Jezus’ dagen, of Trump, of Poetin of Kim Jong-Un zoals in onze dagen… Gun al die lui die idolaat zijn van zichzelf van harte de fietspomp waarmee ze zichzelf tot goddelijke proporties oppompen.

Gun ze van harte wat ze zelf willen: zichzelf opblazen.

Wat aan God toebehoort

Maar (en daarop ligt nu eigenlijk de nadruk): geef aan God wat God toebehoort:

Geef aan de Ene wat die Ene enkel toebehoort…

Geef al je gerechtigheid aan de Ene, de Gerechte, die zich niet laat afbeelden (op geen enkel muntstuk of waar dan ook) maar die zich toont in al die lijdende anderen.

Geef alle liefde waartoe je in staat bent aan de Ene die liefde is, zonder grenzen, zonder ophouden…

Want, zoals Jesaja schreef in de eerste lezing van vandaag:

de Ene is de Enige, en niemand anders,

die het licht vormt en het donker schept,

die vrede maakt…

De Ene is de Enige, en niemand anders.

Dat het zo moge zijn.

Amen

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *