Overweging zondag 25 oktober 2020 door Arthur van Tongeren

Bij Deuteronomium 6, 1-3, Exodus 22, 20-26 en Matteüs 22, 34-40

“Deze woorden aan jou opgedragen hier en heden, prent ze in je hart, leer ze aan je kinderen”. Hoe actueel kan een tekst klinken? Het had zomaar de afsluiting van een persconferentie van onze premier kunnen zijn, nadat de laatste corona-maatregelen waren aangekondigd. Maar ze komen uit het boek Deuteronomium, ze volgen direct op de verzen die we na het ontsteken van de Paaskaars lazen en zongen.

Kans op zinvol leven

Net zo goed als in onze tijd, moest de mensen ook destijds op het hart gebonden worden wat belangrijk was voor een samen-leving. De “deze woorden” waar het toen om ging waren de door Mozes ontvangen Tien Geboden – het door de Eeuwige gegeven richtsnoer ten leven. De God van Israël, die enkel Stem is, laat zich horen en wijst een begaanbare weg die zal leiden naar ‘goed wijd land’. Huub Oosterhuis laat in het leerdicht Het lied van de aarde die ‘enkel-Stem-God’ ter verantwoording roepen, met de vraag “Je zet de woorden zo mooi op een rijtje, je zegt ze zo mooi – ben jij het ook die ze doet?” De Stem van God antwoordt: “Ik ben het die ze zegt. Wij zijn het die ze doen. De aarde zal het aanschouwen.” De crux zit hem in dat tweede zinnetje ‘Wij zijn het die ze doen’, en met name in dat woordje ‘wij’. De Stem geeft ons richting, biedt ons een kans op een zinvol leven, maar wij moeten het zelf waarmaken. Wij moeten ons die woorden eigen maken ‘met hart en ziel’, ze op onszelf bétrekken en aan elkaar vóltrekken. Aan het appèl dat op je wordt gedaan kun je niet half gehoor geven, het is met heel je hart en ziel of niet.

Het is in feite beeld-van-God-zijn in deze wereld, mens zijn zoals je ooit bedoeld en geschapen bent. Dat is makkelijk gezegd, maar veel moeilijker gedaan.

De lezing uit Exodus geeft enkele exemplarische voorbeelden van wat het inhoudt om te leven naar die gegeven woorden: opkomen voor de vreemde, recht doen aan de meest kwetsbaren, eerlijk zijn in geldzaken, mededogen hebben met de ander. Het is in feite beeld-van-God-zijn in deze wereld, mens zijn zoals je ooit bedoeld en geschapen bent. Dat is makkelijk gezegd, maar veel moeilijker gedaan. Wil je dat met heel je hart en ziel doen, dan volg je het spoor van Jezus – en we weten hoe het hem is vergaan. Hij kwam in zijn spreken en handelen op voor de verschoppelingen, de armen en verdrukten, en nam stelling tegen de huichelachtigheid van de machthebbers in tempel en staat. Vandaag hoorden we hoe de Farizeeën hem op de proef stellen. Maar Jezus heeft geen moeite met hun vraag, hij kent zijn bronnen. “Het voornaamste gebod is God te dienen met heel je hart, ziel en verstand”, antwoordt hij hun. En hij voegt eraan toe: “Het tweede, daaraan gelijk: je naaste beminnen als jezelf”. Dat is wat staat geschreven in de Thora. Elke jood kent deze woorden, en naar ik mag aannemen de meeste christenen ook. Ze vormen de kern van ons gedeelde geloof. We moeten ze niet enkel leren of geloven, maar doen. De rabbijn van de Liberaal Joodse Gemeente hier in Tilburg, zei dat ooit eens: “De Thora moet je in de eerste plaats dóén. Het is een opdracht aan ieder van ons. Of je al dan niet gelooft doet er niet toe”. Ik vind dat een mooie gedachte, want het impliceert dat ook andersdenkenden of niet-gelovigen kunnen leven naar de Thora – ook al zullen zij dat niet zo benoemen.

Uitdaging voor een ieder van ons

Leven naar de gegeven woorden, met hart en ziel, is dag na dag een uitdaging voor ieder van ons.  We ervaren vaak onze eigen onmacht om die opdracht te volbrengen. Een enkele keer zien we voorbeelden van mensen die het lukt, of weten we ons bemoedigd door oude verhalen. Misschien horen we zelfs die oorspronkelijke Stem die ons roept, die ons vraagt een naaste te zijn voor de ander, om elkaar te bevrijden uit onrecht, angst en doem. Een God die enkel Stem is kan slechts bevrijdend aanwezig zijn in ons handelen. Wij zijn Gods handen en voeten in deze wereld. Dat kan soms aanvoelen als een loodzware last die op onze schouders wordt gelegd. Er zijn zeker momenten waarop ik het gevoel heb tekort te schieten, niet te kunnen voldoen aan wat van me wordt gevraagd. Dan houd ik me maar vast aan de gedachte dat ik ook maar een mens ben, met al zijn fouten en beperkingen. De ideale mens bestaat slechts in onze verbeelding en in verhalen. Naar mensen die dat beeld benaderen en alles op het spel durven zetten voor hun idealen, kijk ik met bewondering. In het besef dat dat mij niet gegeven is. Die Stem heeft makkelijk praten ben je soms geneigd te denken – en misschien is dat ook wel zo. Ze probeert ons te verleiden om te kiezen voor een weg die tot een betere wereld zal leiden. Ze weet dat het een moeilijke weg is, waarvan we nogal eens zullen afdwalen, die we met vallen en opstaan moeten begaan, een levenslang gevecht. En toch roept ze ons telkens weer op om door te zetten, niet op te geven. Er wordt iets van ons gevraagd, het is aan ons om er al dan niet voor te kiezen. Niet God moet het doen maar ik. Ik mag me daarbij geïnspireerd weten door die Stem van toen, gedragen door het vertrouwen dat me gegeven wordt door wie wij God noemen. Zij heeft blijkbaar genoeg vertrouwen in mij, dat ze mij durft los te laten, eigen verantwoordelijkheid durft te geven. In de hoop en overtuiging dat ik op eigen benen leer staan en uit eigen kracht het goede zal doen.

Misschien horen we zelfs die oorspronkelijke Stem die ons roept, die ons vraagt een naaste te zijn voor de ander, om elkaar te bevrijden uit onrecht, angst en doem.

De Amerikaanse dichteres Louise Glück, winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur 2020, verwoordt dit prachtig in haar gedicht Wijkend licht.

Wijkend licht

 

Jullie leken net kleine kinderen,
altijd tuk op een verhaal.
En ik had er al zo veel verteld;
ik had genoeg verzonnen.
Dus gaf ik jullie potlood en papier.
Ik gaf jullie pennen van riet
dat ik zelf sneed, middagenlang in de dampige velden.
Schrijf jullie eigen verhaal maar, zei ik.

Na al die jaren luisteren
zouden jullie wel weten
wat een verhaal was dacht ik.

Zeuren was het enige wat jullie konden.
Alles moest jullie worden uitgelegd,
op eigen kracht doorgrondden jullie niets.

Toen besefte ik dat jullie niet konden denken
met werkelijke lef of passie;
jullie hadden je leven nog niet geleid,
geen eigen rampen doorstaan.
Dus gaf ik jullie levens, gaf ik jullie rampen,
want schrijfgerei alleen bleek niet genoeg.

Jullie zullen nooit weten hoe goed
het me doet jullie daar te zien zitten
als onafhankelijke wezens,
jullie te zien dromen bij het open raam,
potloden die ik jullie gaf in de aanslag
tot de zomerochtend in woorden opgaat.

Het scheppen heeft jullie opgewonden,
ik wist het van tevoren, dat doet het in het begin altijd.
En ik ben vrij om te doen wat ik wil,
me met andere dingen bezig te houden,
in het volste vertrouwen
dat jullie me niet meer nodig hebben.

Vertaling: Erik Menkveld. In tijdschrift Raster #107, 2004 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *