Overweging zondag 8 november 2020 door Nico Meijer

Bij Ezechiël 34,11-16 en Mattheus25,31-46

Misschien bent u wel eens  in het Vaticaans Museum in Rome geweest. Als je de hele route door het museum gemaakt hebt, kom je uiteindelijk in de Sixtijnse kapel. De achterwand van die kapel wordt in zijn geheel ingenomen door een schildering van het Laatste Oordeel: bovenaan  Christus, Maria, de engelen, de heiligen, de zaligen. Onderaan veel vuur, duivels, de verdoemden, Jeroen Bosch-achtige taferelen.  Geen wonder, dat  angst voor de hel een groot deel van het geloof van de Middeleeuwers uitmaakte. Daar moest je in ieder geval niet in terechtkomen.

Zand erover?

De moderne tijd heeft deze angstvisioenen naar het land van de mythen verwezen. Wij bekijken deze afbeeldingen vaak met een kunsthistorisch oog: interessant, knap geschilderd, maar natuurlijk geen voorstelling die ooit werkelijkheid zal worden. Er zijn zelfs mensen, die de hele gedachte van een laatste oordeel wegwuiven. God is zo goed, dat wij op het einde van ons leven allemaal bij Hem welkom zijn, ongeacht hoe ons leven eruit heeft gezien. Zand erover. Op het eerste gezicht een sympathieke gedachte: God is zó goed. Hij let niet op onze zonden.

Misschien is dan een eerlijke beoordeling nog wel te verkiezen boven een beloning, die niet in relatie staat met het leven dat we geleid hebben.

Toch heeft zo’n algehele witwasoperatie ook iets onbevredigends. Het maakte dus per saldo niets uit, hoe we geleefd hebben. Al onze inspanningen, al ons beminnen, al ons zoeken en streven naar het goede, het stelde dus eigenlijk niets voor. In feite neemt God ons dan eigenlijk niet serieus, op die manier wordt onze verantwoordelijkheid van ons afgenomen. Misschien is dan een eerlijke beoordeling nog wel te verkiezen boven een beloning, die niet in relatie staat met het leven dat we geleid hebben.

”Ga zitten”. Hij trekt er zelf ook een stoel bij, komt naast je zitten en vraagt:  “En, hoe was het? Hoe is het geweest, het leven? Vertel!”

De bijbel spreekt heel duidelijk over een oordeel, een kritische terugblik, een evaluatie, een goed gesprek als u wilt.  Ik stel me voor, dat O.L.H., als je bij Hem aankomt, al een stoel voor je heeft neergezet. ”Ga zitten”. Hij trekt er zelf ook een stoel bij, komt naast je zitten en vraagt:  “En, hoe was het? Hoe is het geweest, het leven? Vertel!” En samen ga je dan je leven door, in vogelvlucht. En je wijst zelf aan, wat goed gegaan is en wat niet, waar het je voor de wind ging en waar het tegen zat, hoe je er soms een puinhoop van gemaakt hebt en hoe je geprobeerd hebt het weer recht te breien. Met begrip zal Hij naar je luisteren: “Ja, je hebt het ook niet gemakkelijk gehad, hè! Je leefde ook in een moeilijke tijd.“

Het leven loopt niet altijd gestroomlijnd. Soms loopt de weg dood, dan moet je terug  en het opnieuw proberen, en beter hopelijk, wijzer geworden van je fouten.

Losse eindjes

Vaak zijn dingen niet uitgepraat, niet tot klaarheid gekomen. Als losse eindjes, die niet zijn afgehecht. Rafelrandjes.  Relaties, die in ruzie en onenigheid zijn blijven hangen. Dingen waar je liever niet meer aan herinnerd wil worden, maar die wel zitten te zieken op de bodem van je ziel en van tijd tot tijd hun kop opsteken. Alleen al voor je eigen gemoedsrust, voor je eigen psychische hygiëne zou het goed zijn, om dit soort losse eindjes af te hechten, om dit soort conflicten uit te praten en tot klaarheid te brengen.

Hecht dat losse eindje af.

Onenigheid binnen de familie. Een broer of zus, waarmee je niet meer door één deur kunt, met wie je het even helemaal gehad hebt. Er zijn harde woorden gevallen, je voelt je onrechtvaardig behandeld,  n.a.v. de erfenis b.v., je bent beledigd, gekwetst. De kwestie zit je als een graat dwars in de keel. Het houdt je meer bezig dan je lief is.  Dan is het van belang, nu het nog kan, om dat schip weer vlot te trekken, om desnoods maar over je eigen schaduw heen te springen en weer on speaking terms te komen. Dat kost moeite, maar het is die moeite dubbel en dwars waard. Hecht dat losse eindje af.

Of je bent onbedoeld zwanger geworden en je hebt het laten weghalen. Het was een zware beslissing, maar op dat moment kon het niet veel anders. En je sust je geweten: och, het was nog maar zo klein, nog geen mens eigenlijk. En allemaal legaal. Baas in eigen buik. En je gaat door met je leven en probeert de gebeurtenis  te vergeten. En niemand hoeft het verder ook te weten. Maar helemaal loslaten doe je het nooit meer. Het was toch beginnend menselijk leven. Praat erover, nu het nog kan. Bevrijd je van die last. Hecht dat losse eindje af.

Of je hebt ooit eens iets met een jonge jongen gehad. Achteraf heb je daar spijt van als haren op je hoofd. Zeker nu al die verhalen over misbruik naar buiten komen.
En je hoopt, dat die jongen daar op latere leeftijd geen last van heeft. Kijk eens of daar toch geen gesprek meer over mogelijk is. Hecht dat losse eindje af.

En hoe staat het met ons alcoholgebruik? Dat kan ook zo’n los eindje zijn. Hoeveel drinken we eigenlijk? Eén glas, twee glazen? Of zijn dat er ongemerkt meer geworden, zoveel dat we ze maar niet meer tellen? En proberen we dat gebruik dan weer zo veel mogelijk te verbergen? En heeft ons leven daardoor niet iets onoprechts gekregen? Moeten we daar niet eens goed naar kijken? Wát willen we eigenlijk steeds maar weer wegdrinken? Moet het roer niet eens rigoureus om? Hecht dat losse eindje af. Je zult merken, hoe goed je je daarna zult voelen.

Niet meer te herstellen

Sommige dingen zijn niet meer te herstellen. De persoon in kwestie is misschien overleden of anderszins onbereikbaar geworden. Wat dan?

In de film over het leven Gandhi van Richard Attenborough uit 1982 komt op het einde een indrukwekkende scene voor. India is inmiddels bevrijd van de Engelsen, maar eenmaal zelfstandig breekt er een geweldige burgeroorlog uit tussen hindoes en moslims. Tot groot leedwezen van Gandhi die besluit, voor de tweede keer, in hongerstaking te gaan. Als hij daar op zijn bed ligt uit te teren, komt er een man  naar hem toe, een hindoe. Met verwilderde ogen smeekt hij Gandhi weer te gaan eten. Hij moet in leven blijven. “Ikzelf,” zegt de man, ik ben verloren, ik ga naar de hel.” Gandhi kijkt de man aan en zegt: “Alleen God beslist wie naar de hel gaat.”  De man: “Maar ik heb een kind gedood, een moslimjongen. Hem uit razernij met zijn hoofd tegen de muur geslagen”. “Waarom?” vraagt Gandhi. “Omdat de moslims mijn zoon  gedood hebben.” Dan zegt Gandhi: “Er is een weg terug uit de hel . Zoek een kind, wiens vader en moeder zijn gedood, neem hem bij je in huis en voed hem op als je eigen zoon. Maar zorg er wel voor, dat het een moslim is”.

Een heel verhaal

“Dat was een heel verhaal,“ zegt O.L.H. op die stoel naast mij, toen ik na uren klaar was.  “Ja,” zeg ik, “er is in mijn leven van alles gebeurd, lief en leed, goed en minder goed, ik heb heel wat fouten gemaakt, maar ik heb wel mijn best gedaan om het allemaal weer goed te maken.”

O.L.H. slaat een arm om mijn schouder. En ik zie in zijn ogen een traan.

Amen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *