Overweging zondag 28 maart 2021 door René Munnik

Bij Jesaja 50, 4-7 en Lucas 19, 28-40

Een wonderlijk en verbazend verhaal; het verhaal van de intocht in Jeruzalem… Palmpasen. De opening van de Goede Week. In veel kerken wordt op deze dag de complete cyclus van het passieverhaal gelezen: vanaf de intocht in Jeruzalem tot en met Jezus’ dood aan het kruis. Alsof Goede Vrijdag al helemaal bij Palmzondag hoort… en daar is inderdaad alle reden voor, zoals we zullen zien. Het hoort allemaal bij elkaar. Maar laten we ons nu nog even beperken tot die intocht in Jeruzalem.

Zoals de evangelisten eensluidend vertellen, lijkt Jezus bij de intocht in Jeruzalem op een regisseur van een goddelijk plan waarvan hij zelf het draaiboek bezit… “Ga op weg” zegt hij tegen zijn leerlingen – “ga op weg, en je zult daar-en-daar een veulen vinden, en breng het hier. En als ze je vragen waarom je dat dier meeneemt, dan moet je dat-en-dat zeggen”. En precies zo gebeurt het daarna ook. Het is alsof er hier een goddelijk plan wordt gerealiseerd: precies zó móet en zal het gebeuren; het is allemaal op voorhand zo geregeld.

Veel mensen hebben daaruit geconcludeerd (sterker nog, het is een eerbiedwaardige geloofswaarheid van heel wat rechtzinnige varianten van het christendom) dat heel het lijden en sterven van Jezus van Nazareth – zeg, heel de Goede Week – noodzakelijk was: het zou een vooropgezet goddelijk plan zijn geweest, dat behelsde dat de Ene zichzelf wel moést opofferen om de mensen te redden… een goddelijk zoenoffer. Misschien is dat een troostrijke gedachte voor velen. Maar ik heb het nooit zo kunnen begrijpen: Dat een onverzoenlijke God van ongehoorzame mensen genoegdoening eist, maar dat kleine mensen die genoegdoening nooit zelf kunnen leveren, en dat hij daarom maar zelf mens werd om die klus te klaren.

Ik heb dat nooit zo goed kunnen begrijpen, en denk er liever op een andere manier over. Laten we daarvoor naar de verhalen kijken en ons afvragen wat de verbinding is tussen de intocht in Jeruzalem en de martelgang van Goede Vrijdag. Die verhalen lijken aan elkaar tegengesteld, want bij de intocht wordt hij bejubeld maar een paar dagen later wordt hij vervloekt. Toch is er een overeenkomst tussen die twee: in beide verhalen staat Jezus als een eenling tegenover de massa. In het intochtverhaal wordt hij bejubeld als een idool; men zingt, net als wij zojuist: ‘Gezegend de Koning, die komt in de Naam des Heren! Vrede in de hemel en eer in den hoge’. En wanneer hij over een paar dagen, op Goede Vrijdag in het passieverhaal, eensgezind wordt vertrapt, ver­moord, uitge­spuugd – wanneer men krijst Kruisig hem! –… ook dan staat Jezus als een eenling tegenover een menigte, het volk. Jezus – zoveel is duidelijk – behoort niet tot die gemeenschap; hij staat er buiten. Hij staat er boven als de bejubelde Gezegende in de naam des Heren, en hij ligt eruit als de bespuwde en bespotte vervloekte die gekrui­sigd moet worden. En de menigte – dezelfde menigte – is telkens unaniem; als uit één mond roept ze eerst ‘Gezegend’, en vlot daarna ‘Kruisig hem’. Het is een wankelmoedige massa die eerst Jezus uitzinnig verwelkomt om hem vervolgens als een razende de dood in te jagen.

Waarom die omslag van lofzang naar vervloeking? – vraag je je af… wat is er gebeurd dat de jubel van de massa binnen de kortste keren omslaat in redeloze haat van diezelfde massa? En het antwoord: bijna niets eigenlijk… alsof in die uitzinnige jubel de agressie, de haat en destructie van Goede Vrijdag al aanwezig is. Het lijkt eerder om twee kanten van dezelfde medaille te gaan… om twee belichtingen van één en hetzelf­de gebeuren. Neem bijvoorbeeld die jubelzang bij Jezus’ intocht; hij wordt Jeruzalem binnenge­haald als een koning (Mc. 11, 10 en Lc. 19, 38). Dat koningschap blijft het hele passieverhaal overeind: bij het verhoor door Pilatus gaat het om zijn koningschap, bij de marteling en bespotting door Herodes wordt hij gekleed als een koning, en uiteindelijk timmert men op zijn kruis een bordje waarop hij ‘koning der Joden’ wordt genoemd. Nergens wordt gezegd: ‘we hebben ons vergist, hij is geen koning’. Veeleer wordt het bevestigd; want het behoort nu eenmaal bij koningen, gezagsdragers en hoogge­plaatsten om in tijden van crisis, wanneer de menigte onrustig wordt, het lijdend voorwerp van spotternij en vervloeking te zijn; geen politicus zonder zijn spotprent, geen gezagsdrager zonder zijn satiricus. Hoge bomen vangen veel wind, hoogmoed komt voor de val en geen koning die niet zo nu en dan voor nar wordt uitgemaakt. Natuur­lijk… van een goede koning verwacht men dat hij vrede brengt in het land, en bijna vanzelfsprekend denk je daarbij dat hij dat doet met wijsheid, doortas­tend­heid en gezag. Maar dat laatste hoeft niet. Een koning kan ook vrede stichten wanneer hij unaniem verketterd en gehoond wordt; wanneer het volk zijn eensgezindheid hervindt door zich als één man – als een razende horde – op hem te storten. Ook dan is hij heilbren­ger en vrede­stich­ter; de koning is dan de zondebok die geofferd moet worden, en waarom­heen zich een algehele verbroede­ring van de gemeen­schap afspeelt. En dat gebeurt op Goede Vrijdag.

Israël kende een zondebok-ritueel (Lev. 16). Eens in het jaar op de Grote Verzoendag nam de hogepriester een bokje uit de kudde, hij legde zijn hand op de kop van het dier, beleed over dat ene dier alle misdaden van de Israëlieten en laadde zo al die onreinheid op de kop van de bok. Vervolgens werd het dier uitgedreven uit de gemeen­schap en de woestijn in gestuurd. En dan staat er: ‘Zo draagt de bok hun misdaden van hen weg…’ (v. 22). De bok die de misdaden der Israëlie­ten wegdraagt vloeit hier samen met het Lam dat de zonden der wereld wegneemt.

Jezus, het lam Gods, was een zondebok van mensen en niet de losprijs voor een hardvochtige god. En Pasen werd een Grote Verzoendag. Jezus was de eerste van de zondebokken, die willens en wetens in de schoenen van alle zondebokken van de wereld is gaan staan door er welbewust zelf een te worden. Zoals het in de eerste lezing door Jesaja werd gezegd: “Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan, en mijn wangen aan hen die mijn haren uitrukten; mijn gezicht heb ik niet onttrokken aan beschimping en bespuwing.” Zo heeft hij onze haat ontwapend, ontmaskerd en ontmanteld.

En wij? Wij, jij en ik, moeten oppassen… we moeten oppassen dat we niet te uitzinnig “Hosanna” juichen om dan vlot daarop, teleurgesteld in onze verwachtingen, “Kruisig hem” te gaan krijsen.

Nee, we moeten iets anders doen.

We moeten ons gewonnen geven voor de kwetsbaarheid van het Lam Gods dat onze zondebok wilde zijn.

Het zal onze redding zijn wanneer we ons door de overmacht aan weerloosheid van de Enige te laten overmeesteren.

Want dan mogen we hopen op de verzoening van Pasen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *