Overweging zondag 18 april 2021
door Arthur van Tongeren

Bij Micha 4:1-5, en Johannes 21:15-24

In de beide lezingen van vandaag horen we hoopvolle, vertrouwensvolle woorden. De profeet Micha gebruikt woorden die wij inmiddels goed kennen, omdat wij ze hier regelmatig zongen (dat we samen zongen, hoe lang lijkt dat alweer geleden…?).

Lichtende toekomst

Micha dus – zijn naam betekent zoiets als ‘Wie is als God?’ – leeft zo’n 700-750 jaar voor Christus. Hij komt uit een klein dorpje en verloochent zijn afkomst niet: Micha komt op voor de mensen op het platteland die worden uitgebuit door de machthebbers in de steden. Voor hen zijn z’n woorden van hoop dan ook bedoeld. ‘Nu nog zijn jullie gedoemd gebukt te gaan onder de verdrukking van de rijken en machtigen, maar er komen betere tijden. Dan zul je de vrijheid smaken, zittend in de schaduw van je wijnrank en vijgenboom – het zal je goed gaan. Geen onderdrukking of oorlog meer, maar een paradijselijke vrede zal je deel zijn’… of woorden van die strekking. Micha ziet een lichtende toekomst voor zijn mensen, aan alle doem en duister voorbij.

Doem en dood tegemoet

Johannes bericht ons in zijn evangelie over de tijd die Jezus na zijn opstanding nog met de leerlingen doorbrengt. Hij – Jezus dus – is letterlijk zijn doem en dood tegemoet gegaan toen hij optrok naar Jeruzalem. De machthebbers in zijn tijd waren niet veel beter dan die ten tijde van Micha. Wie hen aanklaagt en ter verantwoording roept heeft het hard te halen, zoveel is zeker. Zijn smadelijke dood aan het kruis was dan ook onvermijdelijk. De getrouwen die vaak al jaren met hem optrokken bleven geschokt en ontredderd achter.

Hoe nu verder?

Met de dood van Jezus was hun hoop vervlogen. Hoe nu verder? Op eigen benen konden, durfden zij niet, en bovendien: wie weet wat er met hen zou gebeuren als ze werden herkend en gepakt… misschien geen onterechte angst. Als ze enkele dagen later horen van het lege graf en dat Jezus is opgewekt uit de dood, op onverklaarbare wijze weer leeft, moet dat een nog grotere schok teweeg hebben gebracht. Dit is ongehoord, ongelooflijk: van leven, door de dood heen terug naar leven. Pasen is een kantelpunt, een scharniermoment. De afbeelding op de orde van dienst in de paaswake illustreerde dat mooi: een zwarte boom op een wit vlak, en diezelfde boom verticaal gespiegeld in vorm en kleur (als een negatief en afdruk van een foto). Wat daarvóór was is niet meer, en alles lijkt in het tegendeel te verkeren. Wat de leerlingen eerst niet begrepen, als Jezus sprak over zijn ophanden zijnde dood en de daarop volgende verheerlijking, is nu werkelijk gebeurd – en is nog steeds ongrijpbaar en onbegrijpelijk  naar menselijke begrippen. De gang van Galilea naar Jeruzalem wordt in omgekeerde richting gegaan. En daar verschijnt Jezus – aldus Johannes – ten derde male aan de leerlingen.

Pasen is een kantelpunt, een scharniermoment.

Heb je mij lief?

In zijn verhaal daarover staat Petrus centraal. Kefas, de Rots, die toen het erop aan kwam tot drie keer toe loochende zijn Heer te kennen. Hij krijgt vandaag als het ware een nieuwe kans – zoals God steeds weer opnieuw begint met Israël, zo schrijft ook Jezus Simon Petrus niet af. Drie keer vraagt Jezus hem ‘Heb je mij lief?’, drie keer bevestigt Petrus dat en krijgt hij de opdracht de schapen te weiden en te hoeden. Petrus is hiermee in ere hersteld en krijgt een belangrijke taak op de schouders gelegd. Het zorgen voor de ‘kudde’, de mensen die de weg van Jezus willen gaan is immers geen kleinigheid. En zeker ook niet ongevaarlijk. Daarop duiden de woorden van Jezus ook. Petrus zal net als zijn meester sterven aan het kruis – zo gaat althans het verhaal – in Rome. Uit eerbied voor Jezus wil hij echter niet op dezelfde wijze sterven en staat zijn kruis omgekeerd.

Volg mij!

Maar dat is later, nu krijgt hij te horen ‘Volg mij’ en is hij aangesteld als hoeder van de kudde. Dat hij ook dat nog moet leren blijkt uit de laatste verzen die we vandaag hoorden. Petrus maakt zich druk om het feit dat Johannes hen volgt en wordt terechtgewezen door zijn meester. ‘Het is niet jouw zaak’ wordt hem te verstaan gegeven. Petrus zal herder en bloedgetuige zijn, Johannes leraar en woordgetuige. Ieder die Jezus wil volgen heeft zijn of haar eigen weg te gaan. Als je de Thora naleeft, als het ware gaat in het voetspoor van Jezus, dan ben je op de goede weg. De ene weg is niet beter dan de andere, ze zijn verschillend; de opdracht is voor ieder gelijk.

Petrus zal herder en bloedgetuige zijn, Johannes leraar en woordgetuige.

Spiegel

De kracht van de Bijbel ligt voor mij in het feit dat die verhalen van en over mensen vertelt. Ze gaan over jou en mij, ze houden ons een spiegel voor. In de verhalen in de paastijd komt dat sterk naar voren. Alle menselijke trekken – zowel goed als slecht – zijn maar al te herkenbaar. Het gaat over vriendschap en verraad, over belangrijker willen zijn dan de ander, over gezworen eden en verbroken beloftes, over de pijn die je daaraan lijdt en de angst waarin je verder moet leven, over hoe je de moed kunt verliezen en bijkans bezwijkt onder de druk.

Deze tijd

Het is niet zo moeilijk veel van deze emoties te herkennen in deze tijd, zeker niet nu ons leven zo beheerst wordt door een onvoorspelbaar virus – en een vaccin dat bescherming biedt, maar voor velen als net zo’n grote bedreiging voelt. Veel mensen kennen het laatste jaar maar al te goed de gevoelens van doem en dood, van de beklemmende angst voor verlies van het eigen leven of dat van anderen – geliefden, naasten. Hoe ontkom je daar aan? Zelfs Jezus aan het kruis riep ‘God, waarom heb je mij verlaten?’ Een schreeuw van angst dat zelfs God hem in de steek liet: ‘Hoor mij, wees niet doodse stilte!’ Herkenbaar zo’n wanhoopskreet… Maar als het daarna stil blijft, wat dan?

Omzien

Hopelijk zijn er dan mensen die naar je omzien, die zich om je bekommeren. Mensen die je nabij blijven met woorden van bemoediging, met handen vol liefde. Die met je meeleven en een stukje met je oplopen als het even moeilijk gaat. Die je een tweede, derde, of weet-ik-hoeveelste kans geven om weer op te krabbelen en jezelf te hervinden. Mensen die je optillen en dragen als dat nodig is, die je weer héél maken. Mensen zoals Jezus. Mensen zoals wij. Dat wij zo mens mogen zijn voor elkaar…

Dan mogen we hopen en ervaren dat God ons nabij is en blijft. Dan mogen we geloven dat we altijd een nieuwe kans krijgen. Dan mogen we erop vertrouwen dat Gods liefde oneindig is en ons altijd omgeeft, wat er ook gebeurt.

Dat het zo mag zijn.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *