Overweging door Ineke Lamers op zondag 13 juni

Bij Ezechiël 17,  22-24 en Marcus 4, 26-34

 

Ezechiël, ‘God maakt sterk’ vertelt…

over een koninkrijkje, Juda, dat veroverd is door een van de grootmachten uit de regio, het Nieuw-Babylonische Rijk van Nebukadnessar II. De elite laat hij wegvoeren naar Babel in 597 en 586. Jeruzalem wordt ingenomen en uiteindelijk grotendeels verwoest, ook de tempel, door zijn legers. Dat andere koninkrijkje, Israël, is al in 722 veroverd door de Assyriërs.

Politieke ontwikkelingen worden in het Eerste Testament veelal theologisch geduid, zo ook hier: het is Gods bedoeling dat nu ook Juda ten onder is gegaan. Hier lijkt het erop dat God niet alleen zijn profeet maar ook Nebukadnessar II sterk maakt. Eerder lezen we dat een telg uit het koningshuis van Juda een verbond heeft gesloten met de koning van het nieuw-Babylonische rijk, terwijl de koning van Juda en andere elitefiguren weggevoerd worden naar Babel. Die telg houdt zich echter niet aan zijn woord en zoekt een alliantie met Egypte. En daarmee verbreekt hij het verbond met Nebukadnessar dat hij in Gods naam aangegaan was, maar meer nog met God. De deportatie naar Babel, dood en verstrooiing: het is allemaal straf voor de zonde van ontrouw, afvalligheid, afgoderij. Ezechiël kan daar bijzonder beeldend, schokkend ook, over vertellen. Lees hoofdstuk 16 maar eens…

Waar een twijgje groeien kan

Eerder in hoofdstuk 17 plukt een indrukwekkende adelaar een takje uit een ceder op de Libanon en legt het neer in Kanaän, in een land van handelaars zegt onze vertaling. De onderliggende boodschap lijkt te zijn: daar zal het gegarandeerd níet groeien. Het land waar Juda en Israël gevestigd zijn was een knooppunt van handelswegen door het gehele Midden-Oosten. Maar voor Gods volk is het niet dat waarin het groot moet zijn. Het gaat om het leven volgens Gods richtlijnen, om trouw aan en vertrouwen op de ENE. Daarin mogen de koningen en koninginnen van Israël, van Juda groots zijn. Dan zijn zij leiders naar Gods hart. En zo niet, dan zullen ze dat merken. Ontworteling, neergang en verstrooiing zijn dan hun lot.

In onze lezing van vandaag wordt er opnieuw een teer twijgje weggeplukt, nu door de ENE zelf. En het wordt geplant op een hoge en verheven berg, misschien wel de Sion, een van de heuvels waarop Jeruzalem gebouwd is. Daar zal het stekje van de ceder beschermd zijn en volop kunnen groeien en bloeien. God maakt sterk!

Het wordt een woonplaats voor alle soorten vogels. Het is daar waar God ontmoet kan worden, het is een belofte van herstel van de tempel, van opnieuw samen leven in het beloofde land. De logica van machthebbers en handelaars loopt stuk: een hoge boom kan geveld worden, een twijgje kan groeien, wat gezond is kan verdorren, wat verdord is weer tot bloei komen. Wie het kleine niet eert…

Marcus vertelt…

over het koninkrijk van God dat opnieuw aangekondigd wordt. Marcus gelooft dat Jezus in zekere zin dat koninkrijk is, omdat hij Gods Woord is. En daarom kan hij vanaf het diepe water een grote schare mensen onderwijzen. Hij heeft macht over chaos, wanorde, dood, onrecht, uitsluiting. De gelijkenissen die volgen spelen zich op het vasteland af, daar waar iets groeien en bloeien kan en gewone mensen stevig kunnen staan.

We horen: iemand zaait graan. En daarna begint het hopen op genoeg regen en zon, en het geduldig wachten. Het is een ongrijpbare kracht die in het verborgene aan het werk gaat.

Geduld en bescheidenheid

Als dit een beeld is van het koninkrijk van God, dan zien we dat onze bijdrage eraan bescheiden is. We kunnen doen wat wíj kunnen doen en dat is gering in vergelijking met de levenskracht, groeikracht van God, schepper van hemel en aarde. Wij komen er pas weer aan te pas wanneer er geoogst kan worden: opdat wij leven naar het Woord, om het Woord te delen met elkaar.

Ook het mosterdzaadje verwijst naar een bescheiden nederig begin. Het is een korreltje, je ziet het over het hoofd als je niet uitkijkt. Maar de mosterdplant groeit snel en biedt schaduw en veiligheid aan alle vogels van de hemel. Het koninkrijk van God is te vinden in het dagelijks leven, in gewone dingen die voorhanden zijn. Je hoeft niet ver te zoeken, je hoeft niet moeilijk te doen. Elke dag biedt kansen om mee te doen met dat koninkrijk: door hoe je omgaat met jezelf, met andere mensen, met andere levende wezens, met de aarde. Het is al begonnen, merk je het niet?

Vruchtbare grond

Wanneer het gaat over het zaad gaat dat uitgestrooid wordt, om Gods woord dat verspreid wordt, dan gaat het over de belofte én de werkelijkheid van het koninkrijk van God. Wanneer het over de aarde gaat waarin graankorrels en mosterdzaad gezaaid worden, dan gaat het over ons. Wíj zijn die aarde. Van ons wordt ontvankelijkheid, openheid en geduld gevraagd. En zeker ook het vertrouwen dat de groeikracht haar werk wel zal doen en dat wij ieder op onze eigen manier vruchtbaar kunnen zijn.

God eert het kleine, het onooglijke begin, laten wij dat dan ook doen. Amen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *