Overweging zondag 20 juni door René Munnik

Bij Genesis 1,31-2,3 en Marcus 4,35-41

 

De twee lezingen van vandaag gaan allebei over rusten. De eerste uit het boek Genesis verhaalt over de Ene die na de zes dagen van zijn scheppingswerk op de zevende dag gaat rusten En de tweede uit het evangelie van Marcus vertelt over Jezus die zich ’s avonds na een lange dag van prediking voor een grote menigte aan het meer, te rusten legt in een bootje. Er zijn niet veel teksten in de bijbel die gaan over God die rust, of over Jezus die sluimert of zelfs in slaap sukkelt. Meestal ligt de nadruk op een aansporing tot waakzaamheid en handelen. Maar ze zijn er dus wel. En ik wil daar vandaag jullie aandacht voor vragen door daar even bij stil te staan.

God rust

Het genesisverhaal is het duidelijkst: nadat God in zes dagen de wereld heeft geschapen en geordend – het licht, aarde, water, planten, zon en maan, vissen, landdieren en mensen – en zag dat dat zeer goed was… toen… op de zevende dag… rustte hij. Die zevende dag – Gods eigen sabbat – is een dag zonder avond. Die zevende dag houdt nooit op, want het is onze dag. Ze is onze tijd en onze wereld, waarin het geredder en het gedoe van mensen, van ons, thuishoort… en waarin God rust. Alles wat er daarna plaatsvindt tussen de Ene en Israël en ons, gebeurt tijdens die sabbat van de Ene.

Nu naar het verhaal van Marcus. Op het eerste gezicht een verhaal van een heel andere orde. Het gaat nu niet over de hele schepping, maar om een concreet voorval. Jezus heeft een dag lang voor een grote menigte gesproken en is moe. Die avond besluit men met een boot het Meer van Galilea over te steken, en Jezus legt zich op de achtersteven op een kussen te rusten. Terwijl hij ligt te slapen steekt er een hevige storm op waardoor het scheepje dreigt te vergaan. Blijkbaar slaapt Jezus gewoon door, want de leerlingen in doodsangst wekken hem met een vraag om redding. En die redding geeft hij: hij staat op en sommeert de wind en het meer om zich koest te houden, wat ze onmiddellijk en gehoorzaam doen.

Tot hier is dat een recht-toe-recht-aan wonderverhaal over God die zijn vrienden redt. Je zou misschien verwachten dat hij de leerlingen zou prijzen, zo van: jullie hebben er goed aan gedaan om je hoop op redding op mij te vestigen, je geloof heeft je gered. Want dat zei hij wel vaker. Maar dàt gebeurt nu juist niet… en dat maakt dit verhaal wat mij betreft interessant. Nadat Jezus de storm tot bedaren heeft gebracht zegt hij: “Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?”. Alsof hij zeggen wil: als jullie wèl geloofd hadden dan waren jullie niet bang geweest en hadden jullie het lef gehad om je, net als ik, rustig over te geven aan de slaap te midden van de storm.

Ik zie een overeenkomst tussen de schepper-god die rust en sabbat houdt bij al het geredder en gedoe, gemodder en geklungel van mensen in de wereld, en Jezus die zich overgeeft aan de slaap te midden van de storm en het geweld op het meer. Wat zou die parallel kunnen zijn?

Schuitje in zwaar weer

Laten we het dicht bij huis houden. Wij, ik bedoel jullie en ik, wij zitten in allerlei schuitjes, groot en klein. Met onze partner en kinderen zitten we in het schuitje van ons gezin; met onze collega’s in het schuitje van ons werk; met de buren in het schuitje van de buurt; met alle mensen in het schuitje van de coronapandemie… en met dit clubje mensen in het schuitje van Ekklesia Tilburg. En soms (eigenlijk altijd, vroeger of later) komen we met zo’n schuitje in zwaar weer terecht… in je gezin, op je werk, in de buurt. Als er poep aan de knikker is, dan is er werk aan de winkel. Met relatietherapieën, mediators, coaches, rijdende rechters, vaccins en zo meer proberen we dan in rustiger vaarwater te komen. Vaak lukt dat, het is althans te hopen dat dat lukt. Maar als dat niet lukt, dan leert nood bidden. In het verhaal van Marcus leren de leerlingen bidden in de nood. Ze kloppen bij Jezus aan en worden op hun wenken bediend wanneer die de storm tot bedaren brengt. Maar het is ook duidelijk dat het daar niet om gaat wanneer Jezus vervolgens zegt: “Waarom hebben jullie zo weinig moed (angsthazen!) ? Geloven jullie nog steeds niet?”

Waar gaat het dan wel om?

Wij (ik zeg maar even ‘wij’) gelovigen… wij zijn gewend om ons net als de leerlingen met onze verlangens, onze hoop en onze angsten op God te richten en te verwachten dat de Ene daaraan tegemoet komt. Deze houding werd door Augustinus aangeduid met de woorden: ‘Mijn hart is onrustig totdat het rust vindt bij U’. Varend op onze schuitjes in zwaar weer, zoeken we bij de Ene een rustplaats, een veilige haven. Daar is niets mis mee… maar het verhaal van Marcus ontwricht dat beeld door het om te draaien. In dat verhaal gaat het er niet om dat wij uiteindelijk rust vinden bij God, maar dat God de hele tijd ligt te rusten bij ons. De hele mensengeschiedenis is de sabbat van God (GenesIs).

Het gaat er niet om dat wij uiteindelijk rust vinden bij God, maar dat God de hele tijd ligt te rusten bij ons.

Even concreet (met Marcus): Stel, jij zit in je schuitje, er steekt een storm op en je komt in zwaar weer terecht (bedenk zelf maar wat voor storm, je relatie, je gezin, je werk, je buurt…). Stel je dan voor dat er op de achtersteven van jouw schuitje iemand ligt te slapen. Jezus. Je kunt dan, te midden van het ontij, heel hard gaan bidden… zeg, Jezus wakker maken en om hulp smeken. Volgens het verhaal van Marcus werkt dat. Maar je kunt er ook zeker van zijn dat hij je daarna zal vermanen: “Angsthaas! Geloof je nog steeds niet?” En als je dat wilt vermijden, dan zit er niets anders op dan jezelf met je schuitje door het noodweer heen te worstelen terwijl je Jezus op het achtersteven door laat slapen. Dat lijkt mij een troostrijke gedachte: dat we het in het leven echt zelf moeten zien te redden, maar dat er tijdens onze levensreis op de achtersteven van ons schuitje een passagier ligt te slapen die samen met ons thuis wil komen…. Een passagier die er genoeg in gelooft (in jouw geredder) om zich onbekommerd over te geven aan de slaap terwijl jij aan het stuur staat.

Tijdens onze levensreis ligt op de achtersteven van ons schuitje een passagier te slapen die samen met ons thuis wil komen.

Ik vind dat niet alleen een troostrijke, maar ook een bemoedigende gedachte, en ik kan me goed voorstellen dat Teresa van Avila zoiets voor de geest zweefde toe ze haar gedichtje schreef wat we straks bij de voorbeden gaan zingen. Een perfect liedje voor een schipper op woeste zee met Jezus, slapend op de achtersteven.

Nada te turbe

Laat niets je verontrusten

Laat niets je beangstigen

Wie God heeft ontbreekt het aan niets

God alleen is genoeg.

Ere wie ere toekomt.

Amen

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *