Onomkeerbaar begonnen
Overweging op zondag 4 januari 2026 door Ineke Lamers
Bij: Jesaja 60, 1-6 en Mattheüs 2, 1-12
Vandaag staan we stil bij het onomkeerbare begin: een kind is geboren en daarmee is iets nieuws in deze wereld gekomen dat onomkeerbaar is. En dit is geen gewoon kind, voor zover die al bestaan…
De traditie verbindt al lang een passage uit Jesaja over het nieuwe Jeruzalem met de lezing uit Mattheus over magiërs, wijzen, mensen met bijzondere kennis uit het Oosten die een ster hebben gezien: een koning is geboren! En dat brengt onomkeerbare onrust…
Een geboren koning
Iedereen en alles wordt aangetrokken door de luister van de ENE die zich ontfermt over Jeruzalem: als een stralend licht in duisternis is die stad. De ENE is een bevrijder voor allen die met de misdaad, met het onrecht breken, zo staat een paar verzen eerder in Jesaja 59. En dat blijkt niet alleen te gelden voor die nakomelingen van Jakob: ‘volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel.’ Van alles kanten komen ze naar dat nieuwe Jeruzalem toe, met tekenen van rijkdom: wierook en goud.
En dan lezen we in Mattheus 2 over een pasgeboren koning die als een ster wijzen van ver weg aantrekt, magoi in het Grieks. Wijzen uit het oosten die op zoek zijn naar een kind dat als koning geboren is. Er staat in het Grieks niet ‘pasgeboren’ maar ‘geboren’, ‘voortgebracht worden’. Dat is dan dus een ander soort koning. Herodes heeft zichzelf op de troon laten zetten en fungeert als een zetbaas van de Romeinse machthebbers, en dat ook nog op de wijze van de autocraat. De geboren koning verwijst naar wat en wie er aan dit kind voorafgaan. Dat hoorden we op 4e Advent. Jozef – zoon uit het geslacht van David – hoort over een kind waarvan zijn vrouw Maria in verwachting is: een kind dat ‘de ENE redt’ moet gaan heten.
En dus wordt daar al een ander koningschap, een ander leiderschap aangekondigd: herderlijk, behoedend, recht doend aan klein en groot. Daar is bij Herodes geen sprake van. Het verhaal over de kindermoord in Bethlehem is er een gruwelijke demonstratie van.
Een nieuwe orde
Die wijzen, magiërs, zijn onze drie koningen geworden. Hun geschenken blijven hetzelfde: wierook en goud en daarnaast mirre. Ze roepen meteen het leven van dit kind op: goud is een geschenk voor koningen, wierook verwijst naar de goddelijkheid van Christus en mirre is verbonden met zijn dood.
Ze eren het kind en gaan daarna langs een andere weg weer terug naar huis. Maar wat hebben zij meegemaakt? Hoe kleurde die ontmoeting met dat kindje hun leven? TS Elliot schreef er een aangrijpend gedicht over en Martinus Nijhoff vertaalde het. Het begint met de beschrijving van de tocht die volgens de ik-persoon ellendig is (kou, honger, ongastvrijheid, lastige kamelendrijvers) en met constant innerlijke stemmen die zeggen: het is waanzin wat jullie aan het doen zijn. Dan beginnen ze in de buurt te komen en gaat het gedicht zo verder:
Eindelijk, toen het licht werd, daalden we neer in een luw dal,
vochtig, onder de sneeuwlijn, geurend naar groeizaamheid;
een beek snelde voort, een watermolen karnde het duister,
er waren drie bomen onder een bewolkte lucht,
en een oud wit paard galoppeerde door een weiland.
Wij kwamen bij een herberg met wijngaardranken boven de stoep.
Zes handwerkslieden dobbelden bij de open deur om zilverlingen
en zes voetknechten schopten lege wijnzakken over de vloer.
Maar niemand kon ons inlichtingen verschaffen, en zo gingen
we verder,
en bereikten des avonds,
geen uur te vroeg,
de plaats van bestemming; het was (dat mag ik wel zeggen) de
moeite waard.Dit alles is lang geleden, ik heb het onthouden
en zou het over willen doen, maar ik stel,
dit vooropgesteld,
één vraag: was het doel dat ons dreef
geboorte of dood? Wij waren getuigen van een geboorte, zeker,
daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger geboorte of dood zag,
dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter
was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood.
Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken,
maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde
tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen.
Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.
Onomkeerbaar begin door de ontmoeting met het kind, geboorte die dood veroorzaakt…
Niet alleen Herodes en andere machthebbers na hem ervaren onrust als de ENE zelf in deze wereld komt.
Leven naar wat je liefhebt
Ook wij kunnen onrustig worden: wat betekent de geboorte van dit kind, het programma dat hij meedraagt – de ENE redt – voor ons? Met welk onrecht, met welke misdaden moeten wij breken zoals Jesaja zegt?
Dat ‘God redt’ betekent niet dat wij alleen maar hoeven af te wachten. Lijden is ook een oproep aan ons om in actie te komen. Maar er is zoveel lijden, dichtbij, verder weg…
In Trouw las ik afgelopen vrijdag een artikel van filosoof Marjan Slob. Zij geeft een antwoord op een vraag die misschien die koning uit het oosten en u, en zeker mij bezighoudt. Ze schrijft: ‘We merken veel meer lijden op dan we als individu kunnen verhelpen. Het is veel te groot voor ons, en dat is heftig. Dat weten en voelen is ons menselijke lot. Daar zullen we in moeten berusten.’
Zij gaat dan verder: ‘Desondanks is er dat vermogen om in contact te staan met de liefde die je voelt, en dat jouw innerlijke wereld te laten zijn. [….] Liefde is niet: in verzet komen. Die manier van spreken past niet zo goed. Liefde is: hier en nu expressie geven aan waar je van houdt. Je kunt altijd, altijd leven naar wat je liefhebt, en daar uitdrukking aan geven. Dat is het grootste. En verder proberen we maar wat.’
Misschien hoeven we ons dan niet zo ontheemd te voelen als die koning in het gedicht: hij heeft iets gezien dat van een andere orde is en in zijn dagelijks leven geen plaats heeft kunnen krijgen. Misschien als we uitdrukking geven aan wat ons lief is, is dat genoeg. En dan hebben we altijd nog dit, waarover we zo zullen zingen:
Als een woord zijt Gij gegeven
Als een nacht van hoop en vrees
Als een pijn die ons geneest
Als een nieuw begin van leven.
Amen



Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!