Ben je jaloers omdat ik goed ben?
Overweging op zondag 20 september 2026
door René Munnik
Bij: Jona 3,1 – 4,4 en Matteüs 20, 1-16
Eerste lezing: Jona 3,1 – 4,4
De Ene richtte zich tot Jona: ‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen met de woorden die Ik je zeg.’ En Jona maakte zich gereed en ging naar Nineve, zoals de Ene hem had opgedragen.
Nineve was een reusachtige stad, ter grootte van drie dagreizen. Jona trok de stad in, één dagreis ver, en riep: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve weggevaagd!’ De inwoners van Nineve geloofden God: ze riepen een vasten uit en iedereen, van hoog tot laag, hulde zich in een boetekleed. Toen de profetie de koning van Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten. En hij liet in Nineve omroepen: ‘Volgens bevel van de koning en zijn edelen is het niemand toegestaan te eten of te drinken, mens noch dier, rund noch schaap of geit. De dieren mogen niet grazen of water drinken. Iedereen, mens en dier, moet zich hullen in een boetekleed en luidkeels God aanroepen. Laat iedereen breken met zijn kwalijke praktijken en met het onrecht dat hij doet. Misschien dat God dan van gedachten verandert en afziet van zijn voornemen; wie weet zal hij zijn woede laten varen, zodat wij niet te gronde gaan.’
Toen de Ene zag dat zij inderdaad braken met hun kwalijke praktijken, zag hij ervan af hen te treffen met het onheil dat hij had aangekondigd, en hij deed het niet. Dit wekte grote ergernis bij Jona en hij werd kwaad. Hij bad tot de Ene: ‘Ach Ene, heb ik het niet gezegd toen ik nog thuis was? Daarom wilde ik naar Tarsis vluchten. Ik wist het wel: U bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en bereid het onheil af te wenden. Laat mij maar sterven, ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’ Maar de Ene zei: ‘Is het terecht dat je zo kwaad bent?’.
Tweede lezing: Matteüs 20, 1-16
Het is met het koninkrijk van de hemel als met een landheer die er bij het ochtendgloren op uit trok om dagloners voor zijn wijngaard te zoeken. Nadat hij met de arbeiders een dagloon van één denarie overeengekomen was, stuurde hij hen naar zijn wijngaard. Drie uur later trok hij er opnieuw op uit, en toen hij anderen werkloos op het marktplein zag staan, zei hij ook tegen hen: ‘Gaan jullie ook maar naar mijn wijngaard, de betaling zal rechtvaardig zijn.’ En ze gingen erheen. Rond het middaguur ging hij er nogmaals op uit, en drie uur later weer, en handelde als tevoren. Toen hij tegen het einde van de dag nog eens op weg ging, trof hij een groepje dat er nog steeds stond. Hij vroeg hun: ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’ ‘Niemand heeft ons ingehuurd,’ antwoordden ze. Hij zei hun: ‘Gaan jullie ook maar naar de wijngaard.’
Toen de avond gevallen was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: ‘Roep de arbeiders bij je en betaal hun het loon uit. Begin daarbij met de laatsten en eindig met de eersten.’ En zij die er vanaf het einde van de dag waren, kwamen naar voren en kregen ieder een denarie. En toen zij die als eersten waren gekomen naar voren stapten, dachten ze dat zij wel meer zouden krijgen. Maar ook zij kregen ieder die ene denarie. Toen ze het geld hadden aangenomen, gingen ze bij de landheer hun beklag doen: ‘Die laatsten hebben één uur gewerkt en u behandelt hen zoals u ons behandelt, terwijl wij onder de brandende zon de hele dag hebben gewerkt.’ Hij antwoordde een van hen: ‘Vriend, ik behandel je toch niet onrechtvaardig? Je hebt toch ingestemd met het loon van één denarie? Neem wat je toekomt en ga. Ik wil aan die laatsten hetzelfde geven als aan jou. Of mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil? Ben je jaloers omdat ik goed ben?’ Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten.
Geen loon naar werk
Laten we beginnen bij de laatste lezing uit Matteus. Eigenlijk een rechttoe-rechtaan verhaal. Een landbezitter stelt ’s morgens, ’s middags en tegen de avond een aantal dagloners aan en belooft ze allemaal één denarie te betalen hun werk. Wanneer hij ze ’s avonds uitbetaalt, dan worden de arbeiders die de hele dag hebben gewerkt boos omdat ze net zoveel (en niet méér) krijgen als de arbeiders die pas laat in de middag begonnen zijn. De pointe van dat verhaal lijkt me duidelijk: volgens al onze redelijkheid van ‘verdelende’ rechtvaardigheid hebben die boze arbeiders gewoonweg gelijk – wie langer hetzelfde werk doet, heeft recht op meer loon, Maar de gaven van de landbezitter – lees: van de Ene, onze God – laten zich blijkbaar niet afmeten alsof het om uurloon gaat. Eerder en later gelden er niet… je kunt er geen rechten aan ontlenen.
Geen bestraffing
De lezing uit het boek Jona is daaraan verwant, zo blijkt aan het einde. Daarin wordt de profeet Jona ten tonele gevoerd die namens de Ene de Ninevieten de verwoesting van hun stad aanzegt vanwege hun verdorvenheid. Maar de Ninevieten krijgen spijt en doen boete, waarop Ene van zijn voornemen tot vernietiging van de stad afziet. Einde verhaal… En ze leefden nog lang en gelukkig… Maar juist dàn wordt Jona kwaad. Hij voelt zich verongelijkt, maar heeft geen gelijk.
Het verhaal in context
Ik raad je aan om het boek Jona eens te lezen. Het stelt nauwelijks eisen aan de lezer, want het is niet moeilijk en een van de kortste boekjes uit het Oude Testament; een paar bladzijden die in een kwartier uit hebt. En het is nog grappig ook, zij het met een grimmig randje. Voorafgaand aan de lezing van vandaag, begint het verhaal ermee dat Jona van God de opdracht krijgt om aan de inwoners van de stad Nineve te vertellen dat de Allerhoogste op de hoogte is van hun verdorvenheid. Wat die verdorvenheid precies inhoudt wordt er niet bij gezegd, maar een eindje verder blijkt dat hier een religieus register wordt aangesproken waarin ons Oude Testament in niets verschilt van die Koranverzen waarop islamistische terroristen zich beroepen: als je niet leeft volgens Gods wetten, dan ben je verdorven en heb je geen bestaansrecht… de fik erin, uitmoorden dat satansgebroed, verwoesten die stad, kortom: ‘naar de filistijnen met Nineve’.
Jona moet dat godsoordeel dus aan Nineve gaan melden. En wat doet hij? Hij staat onmiddellijk op, niet om aan die opdracht gehoor te geven maar om er tussenuit te knijpen. Uit lafheid, luiheid of verzet? Ook dat wordt niet vermeld, maar zoveel is duidelijk: Jona is een fluthandlanger van een wraakzuchtige god. Hij pakt de boot naar het verre Tarsis in de hoop daar buiten gods invloedsfeer te blijven. Wat natuurlijk niet lukt. God laat het zo hard stormen dat die hele boot dreigt te vergaan. En wanneer de bemanning in de gaten krijgt dat die ellende aan Jona te wijten is, dan wordt hij – ‘van je één, twéé, dríé’ – in de zee gejonast… waarna hij bijna verzuipt. Bijna, want voor hij het loodje legt wordt hij door een grote vis behoedzaam verzwolgen, en is hij genoodzaakt een tijd lang zijn intrek te nemen in de buik van de vis.
Nu is het verblijf in zo’n levende onderzeeër voor een Jood bepaald niet the place to be. Ondergedompeld in de zee, dat element van de oerchaos, voelt hij zich verstoken van alle hoop en begint hij vanuit de diepte in zijn eentje te roepen “Help. Red mij. Ik zal het nooit meer doen!” Hij wordt verhoord en na drie dagen door de vis op de kust gespuwd, richting Nineve. Daar staat hij dan: een Woody-Allen-achtige modderfiguur… een kolderprofeet die door een aantal doldwaze verwikkelingen loepzuiver terechtkomt op de plek waar hij juist weg wilde blijven.
Dan… (daar begint de lezing van vandaag) krijgt Jona ten tweeden male de opdracht om de Ninevieten aan te zeggen dat de stad, vanwege hun verdorvenheid, volledig zal worden vernietigd. En hij gaat, zij het nog steeds niet van harte. Want Nineve is groot, drie dagmarsen om er doorheen te lopen – maar na één dagreis al, wanneer hij nog lang niet in het midden van de stad is, vindt hij het wel genoeg en begint hij te verkondigen: ‘Nog veertig dagen en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!’
En nou komt het… want wat gebeurt er? Hij is nog niet uitgesproken en prompt komt iedereen tot inkeer, vraagt om vergeving en trekt het boetekleed aan. En dan komt het huzarenstukje van het verhaal. Niet alleen Nineve bekeert zich en doet boete, maar God zelf bekeert zich ook! Terwijl Jona zijn eigen opdracht (waar hij toch al geen zin in had) overbodig ziet worden omdat hij alleen nog maar wraak aankondigt ten overstaan van bekeerlingen en boetedoeners, verliest hij ook zijn goddelijke rugdekking… omdat God de hele opdracht nietig verklaart aangezien hij spijt krijgt van zijn eigen hardvochtigheid. Kortom, terwijl God en Nineve vrede met elkaar sluiten, staat de onheilsprofeet Jona, die nota bene namens God de ondergang van Nineve aankondigde, er voor aap bij. Daar zou je toch pisnijdig van worden! Wordt Jona ook.
Een ander soort rechtvaardigheid
‘Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.’ Die overbekende uitspraak is vaak gevaarlijk, omdat ze ons al te gemakkelijk kan aanzetten om enkel maar passief te berusten in de ellende die ons kan overkomen. Maar dat hoeft niet, want die uitspraak bevat ook een waarschuwing: dat wij niet moeten denken dat we al te gemakkelijk kunnen weten wat ‘Gods wegen’ dan wel zijn. Zoals de arbeiders uit het evangelie van Matteüs, die menen te weten dat Gods gerechtigheid overeenkomt met hun idee van ‘eerlijkheid’; en die dan kwaad worden op God als dat niet blijkt te kloppen. Of zoals Jona, die meent te weten wat Gods gerechtigheid inhoudt (nl. wraak op ‘verdorvenen’), en die dan kwaad wordt op God als die wraak op verdorvenen nietig wordt verklaard.
Daarin huist misschien een les voor ons. Dat we als christenen voorzichtig moeten zijn. Ach natuurlijk… we hébben de opdracht om op te komen voor vrede en gerechtigheid. Maar we moeten daarbij niet pretenderen precies te weten wat dat is. Anders zouden we, net als de dagloner en als Jona, nog kwaad worden op de Ene, als de Ene beter blijkt te zijn (of anders goed, of gewoon anders) dan wij denken dat goed is voor mensen.



Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!