Wie zeg jij dat ik ben?

Overweging zondag 12 september 2021 door René Munnik

Bij: Jesaja 50, 5-9a en Marcus 8, 27-35

 

Het zijn twee weerbarstige lezingen vandaag. Verhalen waar je – ik althans – gemakkelijk moeite mee kunt hebben vanwege de radicaliteit, om niet te zeggen de hardvochtigheid die erin zit. Neem bijvoorbeeld de eerste lezing uit de profeet Jesaja. Daarin is de dienstknecht van de Ene (‘des Heren’) aan het woord. En wat zegt hij? Zoiets als: “Ze hebben me gefolterd, bespuwd en beschimpt, maar ik heb geen spier vertrokken. Mij maken ze niets, want de Ene staat aan mijn kant. Laten ze maar een proces tegen mij beginnen, niemand kan me veroordelen, want alleen God is mijn rechter…” Hoe begrijpelijk zo’n uitspraak misschien ook is van een slachtoffer in een fataal conflict, in feite kan ze werken als lont in een kruitvat. Teksten als deze (“de mensen kunnen me niets maken, want God staat toch aan mijn kant”) worden dan ook graag gebezigd door religieuze radicalen en extremisten. En niet alleen door hen.  Only God can judge me is al jaren de tekst van een populaire tattoo die de lichaamsdelen siert van menige halve of hele crimineel, die daarmee te kennen geeft dat hij zich voor geen mens wenst te verantwoorden. Het probleem ermee is dat God en de mensen hier uit elkaar gespeeld worden. Sterker nog: met zo’n uitspraak wordt God een splijtzwam tussen mensen.

De radicaliteit van de underdog

De tweede lezing vandaag uit het Evangelie van Marcus neemt daar geen afstand van, maar lijkt erbij aan te sluiten. Ook daarin worden God en de mensen (en mensen onderling) uit elkaar gespeeld, zo lijkt het. “Wie Mij wil volgen, moet niet doen wat de mensen willen, en zichzelf verloochenen” Daar zit een radicaliteit in die voor ons niet gemakkelijk meer te volgen (of zelfs te pruimen) is. Het helpt misschien om te bedenken dat dit evangelie werd geschreven in een tijd en een context waarin christenen de underdogs waren die konden rekenen op vervolging van zowel Joodse als van Romeinse zijde. Ze werden veracht door Joodse leiders omdat ze pretendeerden dat Jezus van Nazareth de Messias was, en werden vervolgd door de Romeinse overheden omdat ze een God beleden die zich voor geen enkel keizerlijk politiek karretje liet spannen. De lezingen van vandaag zijn teksten van vervolgden in tijden van verdrukking. Dat verklaart deels hun radicaliteit. Maar ze zijn niet alleen radicaal, maar ook nog eens tamelijk ingewikkeld. Er zitten nogal wat scènewisselingen in. Alle reden om nauwkeurig toe te zien.

Eerste scène

Jezus vraagt aan zijn leerlingen: “wie denken de mensen (het volk, ‘men’) dat ik ben”. En ze geven allerlei antwoorden: Elia, een profeet, Johannes de Doper… Ja maar, zo vervolgt hij… “Wie denken jullie dat ik ben?” En Petrus slaat meteen de spijker op de kop met het juiste antwoord: “Jij bent niemand minder dan de Messias” waarop Jezus hem niet prijst (“goed gezien Petrus”) maar onmiddellijk en nadrukkelijk laat weten dat daar met niemand over gesproken mag worden. Alsof het om een geheim complot gaat dat niet openbaar mag worden voor de mensen, het volk, ‘men’.

Tweede scène

Jezus is nu alleen met zijn leerlingen. Achter gesloten deuren: de mensen, het volk, ‘men’ wordt als het ware buitengesloten. In die eigen besloten kring spreekt hij vrijuit over wat hem te wachten staat. Hij zal moeten lijden, gemarteld worden en gedood. Het is een lijdensvoorspelling. Petrus die juist nog het goede antwoord gaf op de vraag wie Jezus is, komt daar nu tegen in het geweer. Kom op zeg, de Messias verworpen en vermoord door de hogepriesters en schriftgeleerden… dat moet toch voorkomen kunnen worden: door overleg, door polderen! Petrus is een polderaar. Er ontstaat dan een conflict tussen Jezus en Petrus, waarbij Jezus uitroept: “Ga weg, jij denkt niet aan wat de Ene wil, maar enkel aan wat de mensen willen!” Het mag zo zijn dat Petrus denkt wat ieder weldenkend mens denkt (de mensen, ‘men’, wij) –  namelijk dat voorkomen moet worden dat Jezus als een soort zelfmoordterrorist aan het kruis eindigt- maar zo’n braaf poldermodel is duidelijk niet wat Jezus voor ogen staat.

Derde scène

Nu zijn de leerlingen niet meer alleen met Jezus, maar mogen de mensen (het volk, ‘men’, wij) er weer bij zijn. En dan volgt de radicale boodschap: niks polderen, niks compromis, niks water-bij-de-wijn of harmonie. “Wie mij wil volgen, moet zichzelf verloochenen. Want wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest voor mij, zal het redden.”

Hier worden niet alleen God en de mensen (het volk, ‘men’) uit elkaar gespeeld, maar ook de Ene en ieder mens op zich. Als je mij wilt volgen, dan moet je jezelf verloochenen, ontkennen… is dat extremistentaal? Eigenlijk wel. En het is goed mogelijk dat deze uitspraken ook zo bedoeld zijn geweest in de dagen dat ze werden opgeschreven: toen christenen zich bevonden in een positie zoals Oeigoeren in China, Jezidi’s in Turkije of Irak, noem maar op.

Maar wij worden niet vervolgd of onderdrukt. In onze monden zijn die woorden misplaatst, huichelachtig en zelfs gevaarlijk. En toch moeten/willen we er iets mee. Bij het voorbereiden van deze dienst heb ik daarmee geworsteld.  Ik zocht een uitweg en vond die in de eerste brief die Paulus schrijft aan de christenen van Korinthe:

Al geef ik alles weg wat ik heb, al offer ik mijzelf helemaal op: als dat zonder liefde is, dan baat het mij niets. (naar 1 Kor. 13, 3)

 

Jezelf verliezen om uiteindelijk jezelf te worden

Paulus plaatst de zelfverloochening en de zelfopoffering helemaal onder het gezag van de liefde. Als Marcus Jezus dus laat zeggen: “Wie mij wil volgen moet zichzelf verloochenen”, dan ontregelt Paulus die uitspraak door te zeggen: “Je kunt jezelf totaal verloochenen, maar als het niet uit liefde is, dan schiet je er niets mee op”. Nu gaat het er helemaal niet om dat je met louter wilskracht (of fanatisme) jezelf verloochent – verbeten ‘nee’ zegt tegen jezelf – in de veronderstelling dat je door díe zelfverloochening dichter bij god komt, Dat is namelijk niet waar. Het is andersom: Naarmate je dichter bij de Ene – dat wil zeggen: dichter bij de liefde (voor wie of wat dan ook) komt – begin je jezelf vanzelf te verliezen ….om uiteindelijk jezelf te worden. Jezelf verliezen in de liefde voor een ander is precies het soort zelfverloochening of zelfvergetelheid waarin je jezelf rijker terugvindt.

En dat laatste is een gemeenplaats. As je nooit iets of iemand op je levensweg bent tegengekomen die zoveel liefde in jou heeft gewekt dat je desnoods je leven daarvoor zou opofferen, dan ben je een beklagenswaardig mens die op niets méér mag hopen dan enkel zichzelf te blijven… Ik bedoel: met zichzelf alleen te blijven. “Wie mij wil volgen moet zichzelf verloochenen” betekent nu: “Wie de weg van de liefde wil gaan, moet zichzelf durven verliezen om te kunnen hopen zichzelf te vinden”

Want…

zoals de Ene zichzelf heeft verloren in mensen door een mens te worden die zijn leven gaf voor degenen die hij liefhad, zo worden wij opgeroepen om onszelf te verliezen in de Ene die liefde is.

Amen

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *