Ik zal mijn vijand in vrede ontmoeten

Overweging zondag 19 september 2021 door Jeffrey Korthout

Bij: Wijsheid 2; 12,17-20 en Marcus 9; 30-37

 

Wederom vandaag niet de makkelijkste lezingen. Allereerst de lezing uit Wijsheid. Hier zijn de zogenaamde ‘goddelozen’ aan het woord. Niet zozeer mensen die niet in een god of goden geloven, maar mensen die niet geloven dat een goed leven waarin je streeft naar het goede dat gedaan moet worden iets oplevert. Oftewel: mensen die vooral leven voor hun eigen geluk en daarbij ‘schijt aan jou’ hebben. Dat soort mensen heeft volgens dit fragment uit Wijsheid een hekel aan ‘de rechtvaardige’. Een persoon die deze ‘goddelozen’ een spiegel voorhoud en ze namens God blijft wijzen op hun egoïsme en hun verantwoordelijkheid jegens hun naasten. De ‘goddelozen’ beramen daarom een plan tegen deze irritante ‘rechtvaardige’ en besluiten met geweld en martelingen zijn uithoudingsvermogen te testen. Even kijken of hij nog zo vroom is als we hem letterlijk de duimschroeven aandraaien! Om hem vervolgens te veroordelen tot een vernederende dood, want ‘de rechtvaardige’ beweert toch dat hij door God gered zal worden? In Psalm 118 die wij daar als antwoord op hebben gezongen, is vervolgens ‘de rechtvaardige’ aan het woord: “Ik wil God danken, want God komt voor mij op als een vriend. Als ik word geslagen, helpt God mij overeind en als ik sterf tilt God mij op.” Precies waar ‘de goddelozen’ al bang voor waren dus…

Twee lessen van Jezus, de rechtvaardige

De lezing uit Marcus begint met Jezus die lesgeeft aan zijn leerlingen en kort samenvat waarover de vorige lezing uit Wijsheid al verhaalde: de Mensenzoon – of in de woorden van Wijsheid – ‘de rechtvaardige’, zal worden uitgeleverd aan de mensen en die zullen hem doden. Jezus voegt daaraan de hoop van Psalm 118 toe: maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan, want als ‘de rechtvaardige’ sterft, tilt God hem immers op uit de dood. De leerlingen begrijpen daar niets van, maar durven Jezus niet om extra uitleg te vragen. Mogelijk omdat Jezus – de Koning van de Vrede notabene – getuige verschillende verhalen van de evangelisten behoorlijk temperamentvol kon reageren op zulke vragen. Op weg naar Kafarnaüm ontstaat er vervolgens tussen de leerlingen een heftige discussie over wie van hen de belangrijkste is. Jezus heeft dit blijkbaar opgevangen en roept ze daarom bij zich. Hij zegt hen: wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste willen zijn en ieders dienaar. En om zijn woorden kracht bij te zetten illustreert hij dit door een kind in hun midden neer te zetten en te stellen: “Wie in mijn naam één zo’n kind opneemt, neemt niet mij op, maar Hem die mij gezonden heeft.” God dus in de gedaante van een kind.

Leren om de minste der minsten te worden

Deze lezing uit Marcus lijkt op het eerste gezicht te bestaan uit twee losse scènes zonder duidelijk verband. Een eerste scène waarin Jezus lesgeeft over de dood en opstanding van de Mensenzoon en een tweede scène waarin de leerlingen nogmaals les krijgen, maar nu naar aanleiding van hun discussie over wie de belangrijkste van hen is. De eerste scène van deze lezing verwijst duidelijk naar de naderende kruisiging: de mensonterende dood die Jezus tegemoet gaat. Een dood, die tot in onze tijd toe, door christenen wereldwijd gezien wordt als het ultieme offer voor de mensheid. Door de vernederende dood aan het kruis, waar Jezus stierf als een slaaf, werd hij ieders dienaar en daarmee de minste van allen. Om zo poëtisch gezegd onze vrede te worden; om in mensen mens te worden, als een vriend, een kind, als onze levende geliefde in de mens die naast je is. En daarin zit het verband met de daarop volgende scène. Jezus zegt in de tweede scène zijn leerlingen dat de belangrijkste van hen diegene is die in staat is om ieders dienaar te zijn, zelfs van hen die niets of nauwelijks iets waard zijn in de ogen van de mensen. Jezus illustreert dit met een kind. In het Romeinse Rijk stonden kinderen namelijk helemaal onderaan in de maatschappelijke orde van het Romeinse Rijk. Het was daarom ook toegestaan om een om wat voor reden dan ook ongewenst kind achter te laten langs de weg om daar te sterven. En Jezus stelt: wie dienaar wil zijn van zo’n kind, zo’n achtergelaten kind, en daarmee dienaar wordt van degene die het allerminste is, diegene is volgens Jezus de belangrijkste. Zo komen deze twee scènes bij elkaar. Want, zo weten wij, voegt Jezus later de daad bij het woord en volgt er een ogenschijnlijk doodlopende weg naar het kruis waar hij sterft voor allen. Uitgelachten, vernederd als ieders dienaar en ieders slaaf, met nog minder aanzien dan de criminelen en outcast, om uiteindelijk de redding te worden van ons allemaal. En zo getuige ons geloof: na deze vernederende dood werd hij drie dagen later door God opgetild uit de dood. Zo werd de minste der minsten, de belangrijkste van ons allen. En de weg daarvoor liep van Jezus via het kruis: de weg die hij zijn leerling voorstelt door dienaar te worden van het achtergelaten kind.

Proef op de som

De vraag aan het begin van deze Vredesweek is wat we hier in de dagelijkse praktijk mee kunnen als het gaat om vrede. Kunnen deze lezingen mij helpen om ooit mijn vijand in vrede te ontmoeten?

Stel: het is een mooie dag, je rijdt op een snelweg en je bent een vrachtwagen aan het inhalen. Iemand achter je, terwijl jij op dat moment al boven de maximumsnelheid rijdt, begint vervolgens stevig te bumperkleven. Wat voor gevoel krijg je dan bij die mens achter je? Ik betrap mezelf er in een dergelijke situatie vaak op dat ik mezelf dan beter ga voelen dan die ander: ik probeer immers al rekening te houden met anderen door de maximumsnelheid te overtreden en dan nog is het niet genoeg! Wat een ongelofelijke ……… En dat denkende voel je je bloeddruk al stijgen, je hart sneller kloppen en voor je het weet ben je snode plannen aan het smeden om die ander terug te pakken, ook al weet je dat het daardoor vaak alleen maar erger wordt.

Wil ik echter mijn innerlijke vrede behouden, dan moet ik mijn zo plotseling ontstane superioriteitsgevoel willen loslaten en proberen te kijken vanuit het perspectief van die ander. Misschien is er goede reden dat die ander haast heeft. Of misschien zit die ander vast in een stressvol bestaan waar hij of zij geen uitweg uit ziet. Of misschien is er wel geen goede reden voor, maar wie ben ik dan om die ander daarover een lesje verkeersmoraal te willen leren? Ben ik werkelijk zoveel beter dan die ander? Als ik op dat moment besluit zonder problemen of wraakoefening opzij te gaan, word ik heel even dienaar van diegene die op dat moment in mijn ogen de minste is. En dan herstelt zich de vrede: in mijzelf en de verkeerssituatie.

Een stapje terug voor vrede

Wie daarom droomt van een wereld waarin wij onze vijanden in vrede ontmoeten, moet denk ik beginnen met een stapje terug te doen voor diegenen die dat in onze ogen helemaal niet waard zijn. Die moet wat hij heeft -zijn trots, zijn eigenwaarde of plekje op de snelweg- willen opgeven voor die ander, want pas dan kan er vrede zijn. Pas dan kunnen wij onze vijand in vrede ontmoeten. En daarbij, zo getuigen de lezingen van vandaag, mogen wij geloven en hopen dat God voor ons opkomt als een vriend, ons overeind helpt als we geslagen worden en als we sterven ons optilt uit de dood. En wie weet, als we dat doen, vinden we God dan ergens op de A2 of de A58 als de mens die naast of achter je is.

Dat het zo zal zijn.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *