Worstelen met God

Overweging op zondag 16 oktober 2022 door Miranda Vroon-van Vugt

Bij: Genesis 32, 23-33

 

Een rabbijnse spreuk zegt: Weet je waarom de Eeuwige ‘God van Abraham, Izaäk en Jacob’ heet? Omdat Hij ons als Abraham uit onze zekerheden wegroept, omdat Hij ons als Izaäk uit de dood redt en omdat Hij met ons worstelt zoals Hij vocht met Jacob bij de Jabbok.’

God roept ons als Abraham weg uit onze zekerheden, redt ons als Izaäk uit de dood en worstelt met ons als Jacob

Het verhaal van Jacob staat vandaag centraal. We kijken mee met Jacob in zijn meest donkere moment in zijn leven. Het moment waarop hij het ook allemaal niet meer weet.

Glas half leeg of half vol

Als mij iets duidelijk is geworden in het ziekenhuis, is dat mensen allemaal op hun eigen manier reageren als er iets groots gebeurt in hun leven. Iets negatiefs bedoel ik dan. De een raakt helemaal in paniek, en wordt bijna ontroostbaar. De ander doet alsof er niet echt iets aan de hand is. En alles daar tussenin. Het hangt er helemaal vanaf wat je karakter is, en of je al eerder iets hebt meegemaakt in je leven. Je kunt iemand zijn die eerder de negatieve mogelijkheden ziet. Een glas half leeg, zeg maar. Je kunt iemand zijn die eerder de positieve kanten ziet. U snapt het. Een oudere dame vertelde me vorige week: “Ik ben zo blij dat ik optimisme heb meegekregen van mijn ouders. Het helpt me nu rustig te blijven, ook al weet ik nog niet wat er allemaal gaat gebeuren en is het best spannend. De verpleging vindt het bijzonder, maar ik ben gewoon blij dat ik zo ben. Het helpt me.”

En een andere dag kom ik bij iemand die 90 jaren gezondheid achter de rug heeft, nu gevallen is, en geen idee heeft hoe daar mee om te gaan. Omdat ze zichzelf alleen maar kent als gezond iemand en nu niet weet hoe ze hier uit moet komen. Als ik mensen vraag hoe het nu met ze gaat, zeggen ze vaak: ik mag niet mopperen. Ja hoor,
zeg ik dan, tegen mij mag dat wel. Want mopperen, of klagen, helpt ook je weg te vinden in wat er met je gebeurt, helpt om het te begrijpen en daarna jezelf weer wat te herpakken. Toch zie ik ook mensen die net tegen mij hebben gezegd dat ze pijn hebben, vervolgens zeggen tegen de verpleegkundige die de pijnmedicatie komt brengen, dat het wel gaat. De behoefte om je pijn, je ongemak, je problemen te verbergen is blijkbaar erg groot. Zelfs tegenover artsen en verpleegkundigen. Soms zelf tegenover jezelf. Herman van Veen zingt erover:

Er lopen kletsnatte clowns in een optocht
Maar de mensen langs de kant
Dragen veel betere maskers
Tegen weer een wind bestand
Ja zelfs de vrouw van de bakker
Verbergt haar blauwe plekken
Het leed gaat keurig aangekleed over straat

Het leed gaat keurig aangekleed over straat. Maar zelfs de vrouw van de bakker ontkomt niet aan de blauwe plekken. Het leven loopt niet altijd makkelijk. Soms is het een worsteling. Met jezelf, met anderen, met God.

De worsteling van Jacob

Jacob worstelt al zijn hele leven met zichzelf en met God. Met zijn bestemming. Met zijn verleden, en daarmee met zijn toekomst. Het begint met zijn eigen acties van bedrog: hij ontfutselde Esau het eerstgeboorterecht, in eerste instantie op een idee gebracht door zijn moeder Rebekka. U weet nog wel, met die heerlijke linzensoep. Later vermomt hij zich en krijgt ook nog de vaderlijke zegen van hun vader Isaak. Daar was het hem om te doen. Die zegen. Daarmee gaat het verhaal van God met Abraham en Isaak verder met hem, Jacob. Het levert hem wel een vervreemding op van zijn directe familie. Hij vlucht naar zijn verre oom Laban. Daar wordt hij zelf bedrogen; zijn oom verwisselt zijn dochters, zoals Jacob zichzelf en Esau verwisselde bij Isaak. Maar na 14 jaar kan Jacob met beide vrouwen terugkeren naar zijn
geboortegrond. Hij wil het weer proberen. Maar zijn worsteling is verre van voorbij. Hij komt met gezinnen en vee waar hij zelf voor heeft gewerkt. Maar zijn verleden komt groot terug. De angst waarvoor hij is weggevlucht, de angst voor zijn broer. Ze zijn weer helemaal terug. En meteen gaat Jacob de situatie manipuleren. Hij stuurt een onderdanige brief naar zijn broer, met een groot cadeau: wat van zijn nieuw vergaarde veestapel. Maar hij is er niet gerust op. Hij is bang dat zijn broer wraak wil nemen. Waarom? Zou hij dat in zijn geval ook doen? Hij verdeelt zijn veestapel en zijn mensen in tweeën. Als Esau een deel aanvalt, heeft hij in ieder geval nog een deel over.

Tegen God is hij wel eerlijk. In gebed vraagt hij God hem te redden. Hij is bang dat zijn verleden hem inhaalt, en dat hij geen toekomst meer heeft. Hij worstelt met alles wat hem overkomt en is ten einde raad. Maar hij trekt zich niet terug. Hij wil verder. Hij moet wel. In de nacht trekt hij de rivier over die hem van Esau scheidt. Zijn gezin, zijn bezittingen, hij brengt ze naar de overkant. Hij blijft achter bij de rivier, de Jabbok. Helemaal alleen, zegt het verhaal. Toch staat er ook dat hij met iemand worstelde totdat de dag aanbrak. Er staat niet dat hij het moeilijk had toen hij zijn zonden aan het overdenken was. Hij worstelt met iemand. Met wie worstelt hij,
als hij daar alleen is? Niet met een ander mens. Dan was hij niet alleen geweest. Worstelt hij met zijn eigen onzekerheden, schuldgevoelens, met zijn verleden, zijn angsten? God heeft hem een gouden toekomst beloofd, met heel veel nakomelingen. Staat God nog wel aan zijn kant? Heeft hij nog wel een toekomst? In het diepe duister van de nacht worstelt Jacob. Waarmee vecht de mens in het donker? Met welke demonen, engelen, God zelf?

Worstelen met God

Theologe Dorothee Sölle denkt dat het God zelf is. Omdat God degene is die ons overvalt, zo lezen we vaak in de Bijbel. Zij schrijft: God is niet alleen maar lief en aardig. God heeft ook de macht ons met vreselijke dingen te overladen. En de vraag is: wat doen wij, als God ons overvalt? Hoe leven wij daarmee, hoe gaan wij daarmee om? Het verhaal gaat prachtig verder. Zoals je eerst moet zeggen dat God ons overvalt, zo moet je daarna zeggen dat wij met God worstelen. Jacob vecht de hele nacht tot de dageraad. Hij vecht voor zijn leven. Wanneer het gevecht ten einde is en de overvaller weg wil, omdat de dag begint te gloren, laat Jakob hem niet gaan, maar staat erop dat deze onheilbrenger, deze overvaller, hem zegent. ’Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ Dat is de belangrijkste zin uit dit verhaal.

Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.

Ik laat u niet gaan, u die mij uit mijn gewone doen stoot, uit mijn veilige wereldje, waarin ik dacht dat het leven zo mooi is – God stoot ons eruit. Maar wij moeten niet wanhopen, maar worstelend overeind blijven, en net zo lang vechten tot wij kunnen zeggen: Ik laat u niet gaan, tot ook dit hier een zegen wordt. Tot zover Dorothee Sölle.

Verhaal van heelwording

Jacob in gevecht met zijn God. Mensen in gevecht met alles wat hen aan donkerte overkomt. De worsteling die op ons pad komt is een wezenlijke; ze bepaalt wie we daarna zullen zijn. Net als Jacob moeten we door het water, door de diepte van onszelf, tot we vanuit die diepte God roepen en Hem durven vragen om zegen. Het gaat in het verhaal van Jacobs gevecht bij de Jabbok om heelwording. Het leven laat zijn sporen na, maar we kunnen weer verder, hebben weer een toekomst. Jacobs worsteling zorgt ervoor dat hij blijft hinken. Eerder kwam hij er zonder kleerscheuren vanaf. Maar dit keer is hij gelouterd en echt geraakt. Hij ontvangt de zegen, omdat hij erom vraagt en niet door gemanipuleer en bedrog. Dat is pas nieuw. En wat blijkt: zijn leven is anders geworden. Esau zal hem omarmen, en in de familie verwelkomen. Zelfs zijn naam is anders geworden: Jacob wordt Israël, omdat hij met God heeft geworsteld. Zo wordt de naam van het volk dat uit hem voortkomt verklaard. En de plaatsnaam van die plek wordt verklaard: Peniël, omdat Jacob daar oog in oog heeft gestaan met God. En een regel wordt verklaard: God raakte Jacob aan bij de heupspier, en daarom eten Israëlieten geen heupspieren van dieren.

Maar de mooiste zin staat iets eerder. Die laat het duidelijkst zien dat het hier gaat om een paasverhaal. Een verhaal van licht na het duister, van opstaan na het vallen, van nieuw na oud: ‘Zodra hij bij Peniël was overgestoken, ging de zon over hem op’.

Zodra hij bij Peniël was overgestoken, ging de zon over hem op.

Amen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *