Overweging op zondag 21 september 2025
door René Munnik

Bij: Amos 8,4-7 en Lucas 16,10-13

 

1e lezing: Amos 8,4-7
Hoort dit, jullie die strikken spannen voor de armen om de misdeelden in het land te verdelgen, jullie die denken: ‘Wanneer is de nieuwe maan voorbij? Dan kunnen wij ons koren verkopen! En wanneer de sabbat? Dan kunnen wij ons graan uitstallen. Dan verkleinen wij de efa, dan verhogen wij de prijs en bedriegen wij met een vervalste weegschaal. Dan kopen wij de kleine man voor geld, de arme voor een paar schoenen, en verhandelen wij zelfs het uitschot van ons koren.’ De Ene heeft gezworen bij de heerlijkheid van Jakob: geen van hun daden zal Ik ooit vergeten.

2e lezing: Lucas 16,10-13
Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote. Als je dus niet betrouwbaar bent geweest in de onrechtvaardige mammon, wie zal jou dan het waarachtige goed toevertrouwen? Als je niet betrouwbaar bent geweest in het beheren van andermans goed, wie zal jou dan geven wat je toebehoort? Geen knecht kan twee heren dienen, want hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Je kunt niet God dienen en de mammon.

Over God en geld

Beide lezingen van vandaag gaan over God en over geld. En vooral de eerste lezing uit de kleine profeet Amos, bracht me als vanzelf terug naar mijn studententijd. U moet namelijk weten dat ik in de tweede helft van de jaren 70 van de vorige eeuw theologie studeerde, en dat het in die tijd in onze kringen volkomen vanzelfsprekend was dat je als theoloog ook socialist, in ieder geval links was. Ons idee van christelijk geloven was onmiddellijk verbonden met politieke actie, die werd geïnspireerd door de Zuid-Amerikaanse bevrijdingstheologie waarin de bevrijding van arme Latijns-Amerikaanse (koffie)boeren vanonder het juk van steenrijke grootlandbezitters, het model vormde voor ‘verlossend handelen’. We gebruikten de Bergrede als een ideologisch breekijzer om de macht van het kapitaal te breken. Het was de tijd waarin Huub Oosterhuis in zijn liederen en psalmvertalingen steeds meer het woord ‘gerechtigheid (doen)’ (met deze politieke betekenis) ging gebruiken als vertaling van het Hebreeuwse tsedakah, dat eerder meestal met caritas of ‘naastenliefde’ werd vertaald. De tijd ook waarin Jezus steeds meer op Che Guevara ging lijken, of Che Guevara op Jezus… hoe dan ook: een vrijheidsstrijder. Het ging om politiek handelen, of, in de woorden van de huidige Vredesweek: niets doen was geen optie.

Gerechtigheid nu

Inmiddels ben ik wel iets ouder (en wijzer?) geworden, en is de wereld ook veranderd. Wat veertig jaar geleden actueel en urgent was, is dat waarschijnlijk nog steeds… maar het is wel weggedeemsterd uit het collectieve bewustzijn, terwijl er andere zaken voor terug kwamen. Zo vlak na de Vietnamoorlog waren ‘koude oorlog’ en ‘apartheid’ acute politieke thema’s, terwijl ‘salafisme’ en ‘jihad’ nog onbekende woorden waren; en de acute dreiging van de atoombom van toen heeft nu plaats gemaakt voor een ander type oorlogen, voor het klimaatprobleem en talloze andere crisissen waar we destijds nooit van gehoord hadden. En uiteindelijk: het lijden van arme Argentijnse boeren maakte minstens in de media plaats voor dat van bootvluchtelingen, asielzoekers… Gazanen, Oekraïners. Maar hoe dan ook, gerechtigheid blijft geboden.

Terechte kritiek op het kapitaal?

Terug naar Amos die me dus deed denken aan de jaren 70. Amos geldt als een profeet, maar zelf wilde hij daar niet van weten. Amos was een schapenfokker en vijgenteler (Am 1,1 en 7,14). Kortom, hij was een boer. En boers, recht voor zijn raap en soms ronduit grof, zijn ook zijn profetieën. Met weinig gevoel voor tact of diplomatie gaat hij te keer in onversneden donderpreken. Hij stond dan ook alom bekend vanwege zijn schuimbekkend gefoeter (Am 7,16), want hij is woest, spinnijdig, razend. Waarop? Met name op het geld, en dan vooral op datgene wat geld en rijkdom met mensen doen. Want… hoe meer kapitaal ze hebben, hoe meer ze willen hebben en hoe onbetrouwbaarder en hebberiger ze worden. Ongetwijfeld was het deze ‘kritiek op het kapitaal’ die me deed terugdenken aan mijn studententijd. Maar was dat terecht? Ja en nee eigenlijk.

Materiële welvaart corrumpeert

Wanneer Amos de rijke uitbuiters in de mond legt: ‘Dan kopen wij de kleine man voor geld, de arme voor een paar schoenen, en verhandelen wij zelfs het uitschot van ons koren’, dan stelt hij dezelfde ongerechtigheid aan de kaak als die waartegen wij ons verzetten (de bevrijdingstheologie): rijken die armen uitbuiten. Maar als je vraagt waar die schofterigheid onder de mensen vandaan kwam, dan geeft Amos een heel bijzonder antwoord waar wij misschien nog niet aan gedacht hadden. Dat antwoord luidt dat materiële welvaart niet alleen ten koste gaat van de mensen die er niet aan deelhebben, maar dat ze vooral ook de mensen die er wél van genieten corrumpeert. Wij dachten dat gerechtigheid de koninklijke weg naar welzijn was, maar Amos signaleert dat welvaart (voor allen) de sensibiliteit voor gerechtigheid dreigt te vernietigen.

Amos leefde namelijk in een tijd van economische en politieke bloei… hij ziet om zich heen hoe de toegenomen welvaart van het volk gepaard gaat met een afname van hun overgave aan de Ene. Ze raken verwend, zelfvoldaan, lui, gemakzuchtig en ontrouw… Hun toewijding wordt een holle pose… Naarmate ze meer bezitten hebben ze ook meer te verliezen en worden ze protectionistisch argwanend naar elkaar. Men zegt wel: “nood leert bidden”. Maar Amos maakt precies het omgekeerde mee: dat men door de afwezigheid van nood het oprechte bidden afleert en decadent en oppervlakkig en ontrouw wordt. Amos stelt dan een vernietigende diagnose: men verheugt zich in welvaart, maar leeft in feite aan de voet van een vulkaan die weldra zal gaan uitbarsten.

God of de mammon

Laten we nu naar de tweede lezing gaan. Die uit het evangelie van Lucas. Ook die gaat over geld, en het lijkt erop dat Lucas goed naar de boodschap van Amos geluisterd heeft. Lucas heeft het over de mammon. Dat woord ‘mammon’ komt uit het Syrisch en kan gewoonweg ‘geld’ of ‘rijkdom’ betekenen, maar in het bijzonder slaat dat woord op een bepaalde mentaliteit: de zucht naar rijkdom. En zoals ik zei, heeft Lucas goed naar Amos geluisterd, want hij spreekt over de onrechtvaardige mammon (Willibrord Vertaling: ‘geldduivel’). Kortom, de zucht naar rijkdom werkt ontrouw en onrechtvaardigheid in de hand.

Tot zover spreken Amos en Lucas met één mond. Toch voegt Lucas daar iets aan toe. Amos houdt het bij een gloedvolle tirade tégen de mammon en de onoprechtheid die daarmee gepaard gaat. En ook Lucas erkent dat een mens geen twee heren kan dienen: ‘Je kunt niet God dienen en de mammon.’ Kortom, je moet een keuze maken. Voor zowel Lucas als Amos betekent dat: kiezen vóór de Enige en tégen de mammon.

Je kunt niet God dienen en de mammon.

Maar dan komt er bij Lucas iets bij dat Amos niet noemt: die keuze voor de Enige ligt in de betrouwbaarheid waarmee je de dingen doet. Dat woord en de aansporing tot ‘betrouwbaarheid’ komt in die korte evangeliepassage vijfmaal voor. Dus: kiezen voor de mammon (‘geldzucht’) is kiezen voor onbetrouwbaarheid in je verhouding tot zowel God als de mammon. Maar kiezen voor de Enige is kiezen voor betrouwbaarheid ten overstaan van God maar óók ten overstaan van de mammon. Daarom kan Jezus in Lucas’ evangelie zeggen: ‘Ben je niet betrouwbaar geweest in de onrechtvaardige mammon, wie zal jou dan het waarachtige goed toevertrouwen?’

Wees te vertrouwen

Kortom, wees te vertrouwen. Wees altijd te vertrouwen. Wees een mens waarop mensen kunnen bouwen. In het kleine en in het grote, in het lage en in het hoge, in het smerige en in het zuivere, in het weerzinwekkende en in het verlangenswaardige, in het heilige maar ook in je portemonnee. Wees altijd een mens waarop andere mensen kunnen bouwen.

Misschien is in onze tijd ‘niets doen’ geen optie. Maar de tekst van Lucas plaatst daar dus een belangrijke kanttekening bij: want wat je ook doet of laat, op welk gebied dan ook, wees in al je handelen betrouwbaar… een mens waarop mensen kunnen bouwen. Want zo werk je mee aan Gods rijk waarvan we zo dadelijk zingen:

Daar staat de stoel van het recht
Daar zal staan de tafel der armen
Dan is de dag van het lam
Zie, ik kom haastig zegt Hij.

Uit: Van Grond en Vuur zult Gij ons maken, Huub Oosterhuis

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *