Van God los
Overweging op zondag 9 november 2025 door Nico Meyer
Bij: Jesaja 1, 21-28 en Lucas 19, 41-48
Wie van de Olijfberg langzaam afdaalt richting de stad Jeruzalem, stuit halverwege op een kleine kapel genaamd ‘Dominus flevit’ (‘De Heer weende’). Daar wordt herdacht, wat we zojuist in het evangelie hebben gehoord: Jezus ziet de stad van bovenaf liggen en hij, zegt Lucas, barst om haar in tranen uit. Hij zegt: ‘Zag u op deze dag maar de weg van de vrede, maar die is verborgen voor uw ogen’.
Hij huilt niet op de eerste plaats om het feit, dat die mooie stad wellicht ooit eens zal worden verwoest – wat inderdaad in het jaar 70 zal gebeuren – hij huilt vooral omdat Jeruzalem op het verkeerde pad is: verkeerd bezig is, zouden wij zeggen. Jeruzalem is ‘van God los’. Hij zal daarbij ongetwijfeld aan de profeet Jesaja gedacht hebben, die al in zijn tijd Jeruzalem aanklaagde, zoals we zojuist hebben gehoord: ‘Uw leiders zijn rebellen, handlangers van dieven. Allen zijn op steekpenningen uit en azen op geschenken. Aan wezen verschaffen zij geen recht en de zaak van de weduwen krijgt bij hen geen gehoor. Daarom keer ik mijn hand tegen u: Als met loog ga ik uw schuim uitzuiveren en al uw afval verwijderen’. Jeruzalem is ‘van God los’, zoals in de tijd van Jesaja, en Jezus huilt.
Heilige toorn
Eenmaal beneden in de stad gaat Jezus naar de tempel en ziet daar overal kooplui en geldwisselaars. De aanwezigheid van geldwisselaars is overigens wel te verklaren. In Palestina circuleerden in die tijd twee soorten geld: Joods geld en Romeins geld, het geld van de bezetter. Om de tempelbelasting te betalen en ook om offerdieren te kopen had men Joods geld nodig. Daarvoor mocht men absoluut geen Romeins geld gebruiken. Daar stond namelijk de afbeelding van de Romeinse keizer op, die als God werd vereerd. Vandaar die geldwisselaars. Bovendien was het vlak voor Pesach en waren er al veel pelgrims uit het buitenland in Jeruzalem, die dus ook hun vreemde valuta moesten kunnen omruilen voor Joods geld. Die handel was echter uit de hand gelopen. De tempel was geen plaats meer van eredienst, maar was een markthal geworden waar goed geld werd verdiend.
En Jezus begon de kooplui te verjagen: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis zal een huis van gebed zijn, maar u hebt er een rovershol van gemaakt”.’ Bij Johannes staat zelfs: ‘Hij knoopte touwen aaneen tot een zweep en joeg ze allemaal de tempel uit, schapen en runderen erbij. De tafels van de wisselaars gooide hij met geld en al omver’.
Deze passage geeft nog wel eens aanleiding tot excuus voor mensen met al te losse handjes: ‘Ja maar, Jezus heeft de kooplui ook uit de tempel geslagen’. Het was echter geen blinde woede, geen driftbui, die Jezus dreef, geen mogelijkheid om nu maar eens flink los te gaan en alle frustratie van zich af te meppen. Hij kende die kooplui ook niet persoonlijk. Het was veel meer een protestactie, een aanklacht tegen een van God losgezongen praktijk. Een symbolische daad. Heilige toorn. Het doet denken aan die pater Jezuiet, ik dacht in Maastricht, die in de jaren zestig, heel bewust en doordacht, als protest een baksteen door de ruit van een sekshop gooide – heilige toorn – en vervolgens bleef staan en zich rustig liet arresteren. Een daad van protest.
Een daad stellen
Terug naar vandaag. Het is heel verleidelijk de aanklacht tegen Jeruzalem van Jesaja en ook van Jezus één op één toe te passen op het huidige Jeruzalem. Alle partijen, van Netanyahu en de orthodoxe Joden, tot president Trump en zijn Republikeinen, tot president Putin en de Russisch-orthodoxe kerk claimen allemaal God aan hun zijde te hebben. Predikanten dienen terughoudend te zijn om met de Bijbel in de hand politiek te bedrijven, te kiezen voor de ene of de andere partij. De Bijbel is geen partijprogramma.
Maar de Bijbel mag wel een inspiratiebron zijn. Jezus werd, daar op die Olijfberg, geraakt door de goddeloosheid van Jeruzalem. Tot tranen toe. Maar vervolgens ging hij over tot actie. Hij ging hij naar de stad en stelde een daad. Een daad die hem door de clerus overigens niet in dank werd afgenomen. Daar ging hun rendabele eredienst.
Op dezelfde wijze kunnen wij onze geraaktheid, onze overtuiging omzetten in daden, daden van verzet, soms in het groot, meestal in het klein, in de keuzes die wij maken in ons dagelijkse leven, in onze houding tegenover minderheden, in ons koopgedrag, in ons consumptiegedrag.
Criterium daarbij is niet, of wij denken God aan onze zijde te hebben, maar wel of die weduwen en wezen niet onder de voet worden gelopen, of niet het recht met voeten wordt getreden, of niet de grote mond de doorslag geeft, of niet het recht van de sterkste overwint, of niet mensen in het zuiden en het oosten zich moeten afbeulen voor het werk dat ze voor ons in het rijke Westen verrichten. We dienen ons steeds weer af te vragen of onze portemonnee het niet wint van ons gevoel voor rechtvaardigheid. Dat is een permanent proces. Daarin kunnen wij keuzes maken. Wij mensen zijn wat dat betreft begenadigde wezens, zoals Oosterhuis dichtte. De dieren hebben die keuzes niet. Maar we zijn wel pijnlijk begenadigd, want die keuzes vragen permanent om afweging en zorgen voor ongemak.
Levenslang geboortepijn.



Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!