Een god van levenden

Overweging op zondag 16 november 2025 door René Munnik

Bij: Exodus 3, 1-15 en Lucas 20, 27-38

 

Eerste Lezing
Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de ENE aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. Maar toen de ENE zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’
‘Ik luister,’ antwoordde Mozes.
‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de ENE, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’
Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.
De ENE zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’
Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’
God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’
Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’
Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK-ZAL-ER-ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.”’
Ook zei hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De ENE heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: ‘Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’”

Tweede Lezing
Enkele sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man kinderloos sterft, moet zijn broer met de weduwe trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer. Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar stierf kinderloos; daarna trouwde de tweede broer met de vrouw en vervolgens de derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze stierven. Ten slotte stierf ook de vrouw. Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’
Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld trouwen en worden uitgehuwelijkt, maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, trouwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt. Zij kunnen ook niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat ze deel hebben aan de opstanding. Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in het verhaal over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.’

Het beloofde land

De woorddienst van vandaag begon met een lange lezing: de roeping van Mozes bij de brandende braamstruik. Dat is een centrale passage uit de Tora, want het markeert het begin van de bevrijding van Israël uit Egypte, wanneer de ENE zegt: ‘de jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden naar een mooi en uitgestrekt land dat overvloeit van melk en honing.’ Dat verhaal is model gaan staan voor wat voor Joden, en later voor christenen, ‘bevrijding’, ‘verlossing’, ‘gerechtigheid’ is gaan betekenen. Dat is ook nog zo voor ons… óók wanneer wij tegenwoordig niet meer zonder voorbehoud en zelfs met weerzin lezen dat dat ‘beloofde land’ (‘Palestina’) volgens dat zelfde verhaal met bloedvergieten zal worden veroverd op de ‘Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.’ … want dat beloofde land heeft eigenlijk niets meer te maken met de aanspraken van Netanyahu op dat stuk grond… inclusief de Gazastrook en de westelijke Jordaanoever. Maar hoe dan ook… dat verhaal gaat over bevrijding, verlossing, Pesach… en in het verlengde daarvan, voor ons, over opstanding: Pasen.

Strikvraag

Je zou verwachten dat de 2e lezing daarop voortborduurt. Maar is dat zo? Ja, dat is zo, maar dan heel indirect, en op het eerste gezicht helemaal niet. Want in die tweede lezing gaat het over een twistgesprek tussen Jezus een stel sadduceeën. Die laatsten stellen hem een strikvraag. Op de achtergrond speelt een theologisch meningsverschil tussen twee groepen Schriftgeleerden: de farizeeën en de sadduceeën. De eersten, de farizeeën, geloofden namelijk wél in de opstanding van de doden, terwijl de sadduceeën dat niet deden en meenden dat de dood het einde van een mens was. Even voor de goede orde: in het Israël van die dagen waren die twee overtuigingen heel bekend, en Jezus blijkt zich aan te sluiten bij het standpunt van de farizeeën, zoals later ook Paulus (Handelingen 23, 6vv). Jezus en Paulus behoren tot het kamp van de farizeeën, want ze geloven wél in zoiets als een opstanding aan het einde der tijden.

En dan de strikvraag. Een vrouw is getrouwd, maar haar man sterft. Dan moet ze volgens de wet hertrouwen met zijn broer. (Deut. 25,5; tussen haakjes: het huwelijk in die tijd was niet wat we daar tegenwoordig bij denken – een bestendiging van de liefde tussen twee zelfstandige personen – maar huwelijk en uithuwelijking waren een arrangement ten behoeve van het welzijn en voortbestaan van familieverbanden.) Maar goed… die broer sterft ook, waarna ze met de volgende broer moet trouwen, maar die sterft ook. Enzovoort… tot ze door al die broers heen is. Rara… wiens vrouw is ze dan na de opstanding? Je herkent hier gemakkelijk de muggenzifterige casuïstiek van een theologische boekhouder. In zijn antwoord, veegt Jezus deze hele kleinzielige prietpraat van tafel met een beroep op het centrale verhaal over de verlossing van Israël – de eerste lezing dus: het mag zo zijn dat mensen in deze wereld trouwen en worden uitgehuwelijkt, maar dat duurt slechts voor zolang we leven. Want… wie deel krijgt aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, trouwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt, want ze zijn geen onderdeel meer van familieverbanden maar kinderen van God. Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in het verhaal over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.

Voor God zijn alle mensen in leven.

Hier maakt het verhaal een beslissende wending. Want nu gaat het niet meer over huwelijkswetten, maar over verlossing, over bevrijding, over een beloofd land (ooit), over het komende rijk (ooit)… maar voor wie is dat eigenlijk bedoeld? Wie zullen die verlossing en die bevrijding ook echt meemaken? Wie zullen het beloofde land ooit betreden… of deelhebben aan het komende rijk? Wij? Onze kinderen? Onze kindskinderen? Of mag je die vraag helemaal niet stellen? Of moeten we ons tevreden stellen met die droom of die illusie waarvan we weten dat die er toch nooit komt? Voor ons althans niet.

Je kunt het exodus-verhaal (eerste lezing) over de bevrijding van Israël uit Egypte lezen als een quasi-politiek verhaal over de bevrijding van onderdrukten vanonder het juk van hun onderdrukkers. Het wordt dan een politiek, humanistisch, ‘sadducees’ verlossingsverhaal dat spreekt over gerechtigheid, over vrede, over een beloofd land of het komende rijk… maar dan wel in een toekomst die enkel bedoeld is voor de toekomstigen. Maar wat betekent dat voor al die mensen die de pech hadden om te sterven voordat die komende wereld er is? Zij, die moesten leven in een wereld vol onrecht en lijden, en die nooit verder kwamen dan het nastreven van die droom (of die illusie) van ‘vrede voor allen’? Mensen als wij dus… of juister: inwoners van Al Fasher in West Soedan, of Kyiv of Gaza.

Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.

Hier zit een wezenlijk verschil tussen het politieke, humanistische, ‘sadduceese’ verlossingsverhaal en het farizeese verlossingsverhaal van Jezus. Dat verhaal van Jezus spreekt óók over gerechtigheid, over vrede, over een beloofd land en een komend rijk in een toekomst. Maar het beperkt die toekomst niet tot een utopische wereld na ons, want die toekomst is er al. Gods verlossing kent namelijk geen grenzen, die is nergens aan gebonden, gaat alle perken te buiten. Die is niet gebonden aan maatschappelijke conventies, aan huwelijksbanden, aan goede bedoelingen of aan politieke ideologieën, en zelfs niet aan de beperkingen van onze eigen sterfelijkheid. Want de Ene is geen god van doden, maar van levenden, en voor die god zijn allen in leven.’

Gods verlossing maakt telkens opnieuw ruimte voor ons…een ruimte die zich niet laat vullen of vastleggen of dichttimmeren met onze goede bedoelingen, onze verwachtingen, huwelijksbanden of politieke ideologieën. Een ruimte die ons telkens weer in het leven roept. Voor altijd.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *