De ware Jakob

Overweging op zondag 23 november 2025 door Alex van Heusden

Bij: Genesis 28, 10-22 en Genesis, 32,23-32

 

Het is geen modelgezin, moeder Rebekka, vader Izaäk en de tweeling Esau en Jakob, de Harige en de Hielengrijper, elkaars rivalen vanaf de moederschoot. Jakob de tweede die de eerste wil zijn – dat kan niet goed gaan.

Vader Izaäk is oud en blind, onzeker of hij de dag van morgen halen zal. Voor zijn dood wil hij Esau zegenen met de zegen voor de eerstgeborene. Maar via een slinks en sluw spel weet Jakob, daarin aangestuurd door moeder Rebekka, die zegen voor zichzelf te bemachtigen.

Esau zint op wraak, hij wil Jakob vermoorden. Nu grijpt Rebekka in. Ze stuurt Jakob naar haar broeder Laban in Charan, een stad in Tweestromenland. ‘Sta op, jij, vlucht naar Charan, naar Laban, mijn broeder, en blijf bij hem enkele dagen, totdat de woede van je broeder is uitgeraasd’ (Genesis 27:43-44).

Jakob is een vluchteling, op de vlucht voor Esau. Hij heeft een zegen op zak, maar wat moet hij daarmee in den vreemde? Die zegen is ook nog gestolen, komt hem dus niet toe. Wat is hij voor mens? Een bedrieger, iemand die het onderste uit de kan wil, slechts uit op eigen gewin? Wie kan en moet hij worden? Om die vragen draait het hele verhaal waarin Jakob de hoofdrol vervult.

De plaats

Eerste pleisterplaats op zijn vlucht naar het oosten, op zijn tocht van Beëer-Sjeva naar Charan. Heeft die pleisterplaats een naam? We horen een wonderlijke zin: ‘Hij [Jakob] ontmoette de plaats.’ De plaats staat er, niet een plaats. Die plaats moet wel een heel eigen betekenis hebben die in relatie staat tot de mens die daar aangekomen is. Een aankomst als een ontmoeting. Wat is dat: de plaats ontmoeten?

Op die plaats brengt Jakob de nacht door, ‘want de zon was ondergegaan’. Dat is geen neutrale mededeling. Elke avond gaat de zon onder – dat spreekt voor zich. Maar hier markeert de ondergang van de zon het begin van Jakobs ballingschap, zijn verblijf in den vreemde, ver van huis. Hij legt zich te ruste bij een steen aan zijn hoofdeind, geen kiezel, maar een metershoge steen. Daar legt hij niet zijn hoofd op, als op een kussen, hij ligt ernaast, om zich te beschermen. De steen is een verdedigingswal. Is dat niet wat een vluchteling zoekt? Een plaats die bescherming biedt, een veilige haven, een vorm van asiel. Wat bootvluchtelingen zoeken als ze de zee oversteken.

Jakobs droom

Jakob ontvangt een droomgezicht, iets als een visioen in zijn slaap. Hij ziet een torenhoge trap, niet zwevend of hangend, maar ‘neergezet op aarde’, stevig verankerd, ‘zijn hoofd raakt de hemel aan’.

Wat hij ziet, is een trap, gemaakt met bakstenen, en zo waren de tempels opgetrokken in Tweestromenland, waarheen hij op weg is, in de vorm van trappen. Mesopotamië, ‘Tussen de rivieren’, Eufraat en Tigris, Tweestromenland dus, daar waren de eerste grote steden gebouwd, zoals Uruk, Babel en Nineve, wier skyline gedomineerd werd door tempeltorens, raakpunten van hemel en aarde.

Wat Jakob ziet in zijn droom, verandert een willekeurige plek om te overnachten in de plaats – een van ontmoeting die hem een bestemming aanreikt, een project om van zijn leven iets te maken. Hij ziet hoe boden, boodschappers, engelen ‘van God’ langs die torenhoge trap omhoog- en omlaaggaan. En hij legt die beweging omhoog en omlaag als volgt uit. ‘Dit is een huis van God’ – de gang van de boden omlaag. ‘En dit is de poort van de hemel’ – de gang van de boden omhoog. Dan komt de beweging als die van een wentelend wiel tot stilstand. ‘En daar, JHWH staat boven hem.’ Wat? Wie? Welke ‘god’? Die van de bijbel, die ene, atypische, met zijn naam: ‘Ik ben het’, ‘Ik zal er zijn’, en, zoals tot Jakob gesproken: ‘Ik zal jou behoeden overal waar jij gaat.’

Gezien worden

Jakob ziet dat hij gezien wordt. En hij ziet wie hij zou kunnen zijn, wat voor een mens, en welk beroep op hem gedaan wordt. Ophouden met bedriegen, stelen en het onderste uit de kan willen. Niet je ego op de voorgrond plaatsen, maar je hart doen uitgaan naar andere mensen die zijn zoals jij – je naasten.

Hilde Domin dichtte:

Jouw plaats is

waar ogen jou aanzien.

Waar ogen elkaar treffen

ontsta jij.

De plaats. In het Hebreeuws is dat hamaqom. Mokum – in goed, Jiddisch Amsterdams. Mokum is Amsterdam, zoals hamaqom, ‘de plaats’, Jeruzalem is. Maar toen Jeruzalem in het jaar 70 van de eerste eeuw onzer jaartelling werd verwoest, stad en heiligdom; en toen vanaf het jaar 135 Jeruzalem een stad werd ‘verboden voor Joden’ – toen werd hamaqom, ‘de plaats’, een schuilnaam, een pseudoniem voor God. Als Mokum beneden onbereikbaar ver is, dan maar in Gods naam de ogen opheffen naar Mokum boven, in de hoop dat ooit ontmoet zal worden de plaats waar recht wordt gedaan aan alle verworpenen op aarde, hier beneden.

De weg terug

Die enkele dagen waarover Rebekka sprak – twintig jaar maar liefst werkt Jakob voor zijn oom Laban in Charan. Twee vennoten van de firma List & Bedrog die niet voor elkaar onderdoen. Dan keert hij terug naar zijn plaats en zijn land, met vrouwen en kinderen, met slavinnen en slaven, kamelen en ezels in groten getale (Genesis 30:43). Nog altijd vreest hij Esau, vreest hij de wraak van zijn broeder, na twintig jaar nog.

Wat Jakob doet bij aankomst in Kanaän, is zonder meer een laffe daad. Eerst stuurt hij groepen slaven voor zich uit met een ‘gave’ van kleinvee, runderen en kamelen, bestemd voor Esau, daar­na, in de nacht, zijn twee vrouwen, zijn twee slavin­nen en zijn kinderen. Hij laat ze de Jabbok overtrekken en zo vormen zij een buffer, een beschermingswal tussen hem en Esau.

Jakob verkeert in volstrekte eenzaamheid. De Jabbok is een grensrivier en wordt het symbool van een oversteek die Jakob in zichzelf moet maken. Eén ding weet hij zeker: het uur U is aangebroken in mijn leven, vluchten kan niet meer, er is geen weg terug.

Vechten om zegen

De naam van de rivier, Jabbok, is verwant met het werkwoord dat vertaald is met ‘vechten’. De Jabbok is de rivier waar wordt gevochten. Met wie vecht Jakob? Met een man, zegt het verhaal. Jakob ziet een man. Wie is die man? Vecht Jakob met zichzelf? Met God? Met Esau? Met alle drie? Het verhaal laat het in het midden. Of was het een engel? Dan toch een engel van een mens.

Uit de strijd komt geen overwinnaar – tenzij Jakob die zich­zelf overwint. Hij wenst gezegend te worden, drager te zijn niet van een gestolen zegen, maar van een ontvangen zegen. Iedere zegen is verbonden met de naam die iemand draagt: toen Jakob de zegen stal die Esau toekwam, had hij zich uitgegeven voor zijn broeder. Net als zijn vader Izaäk destijds vraagt de onbekende man: ‘Hoe is jouw naam?’ Dit keer volgt het enig juiste antwoord, geen bedrog meer: ik ben Jakob. De ware Jakob doet van zich spreken door het noemen van zijn naam. Hij wordt gezegend en ontvangt een nieuwe naam: voortaan is hij Israël. Hier voor het eerst in de hele bijbel wordt deze naam ge­noemd.

Wording van Israël

Hoofdthema van het boek Genesis is de wording van Israël in de maalstroom der volkeren; de eigen plaats en bestemming van dit volk. In Jakob heeft Israël zichzelf uitgebeeld als een volk dat strijdt met God en met mensen, dat worstelt met de vraag naar de zin van het bestaan op aarde. Uit zo’n ge­vecht komt geen mens ongehavend tevoorschijn. Jakob zal mankgaan, de rest van zijn dagen. De onbekende had hem gegrepen bij de heup, de plaats van zijn zaad, dus van zijn nageslacht (daarom wordt er in bijbelse verhalen op de heup gezworen). Jakob is geraakt in zijn potentie. Wie alleen op eigen kracht vertrouwt, zal alles verliezen. Dat heeft Jakob-Israël, met vallen en opstaan, geleerd.

Het slot van het Jabbok-tafereel wil precies dit onderstrepen (Genesis 32:31-32):

Jakob riep de naam van die plaats: Peniël-Aangezicht van God

want ik heb God gezien, van aangezicht tot aangezicht

en mijn leven is gered.

De zon straalde over hem toen hij Penoeël voorbijtrok

en hij was mank aan zijn heup.

‘Red mij toch uit de hand van mijn broeder, uit Esau’s hand,’ had Jakob gesmeekt (Genesis 32:12). ‘Mijn leven is gered,’ zegt hij nu.

Verzoening en zegen

Hoe was het ook alweer? Toen Jakob het land verliet, op de vlucht voor Esau, ging de zon onder (Genesis 28:11). Na de worsteling aan de Jabbok, de grensrivier, gaat de zon op over Jakob en is de nacht van zijn ballingschap voorbij. Nu kan hij de broeder die hij bedrogen heeft, onder ogen zien. Hij verschuilt zich niet meer achter slimme tactieken of zoekt bescherming achter de machtige legerkaravaan (zijn potentie!), maar steekt iedereen voorbij en gaat voor hen uit naar Esau, hinkend en wel diens aange­zicht tege­moet.

Het wordt een gelukkig weerzien, na twintig jaar (Genesis 33:4):

Esau rende hem tegemoet,

omarmde hem,

viel hem om de hals

en kuste hem –

en zij huilden.

In de Hebreeuwse tekst staan kleine punten boven de zinsnede ‘en hij kuste hem’. De betekenis daarvan weten we niet, maar oude Joodse commentaren geven als verklaring dat Esau zijn broeder niet van ganser harte heeft gekust. Anders gezegd: de zinsnede ‘hij kuste hem’ hoort hier helemaal niet thuis. Esau háátte Jakob.

In verschillende bijbelboeken wordt het volk Edom, waarvan Esau de stamvader is, voorgesteld als de erfvijand van Israël. De Joodse traditie heeft deze ‘typologie van vijandschap’ overgenomen en Edom eerst vereenzelvigd met het Romeinse Rijk, toen dat het Joodse land bezet hield, later met het chris­ten­dom, toen dat als staatsgodsdienst van het Byzantijns-Ro­meinse Rijk een bedreiging werd voor het Joodse volk.

Er is evenwel alles voor te zeggen de zinsnede ‘hij kuste hem’ te handhaven en het volle pond te geven. Tussen hen komt het tot echte verzoe­ning. Jakob zegt (Genesis 33:11):

Neem nu mijn zegen die jou gebracht is

want God heeft mij begenadigd –

ik heb alles.

Zo geeft Jakob, in een groots symbolisch gebaar, Esau de zegen terug die hij van hem gestolen heeft. Dat kan hij ook doen, nu hij een eigen zegen heeft ontvangen, daar aan de Jabbok, op de grens tussen balling­schap en thuiskomst.

Ik laat jou niet gaan, tenzij jij mij zegent.

‘Ik laat jou niet gaan, tenzij jij mij zegent.’ Zegen ontvangen is erkend worden, gezien, begrepen – in je vallen en in je opstaan, in je falen en slagen. Iemand zegenen is zeggen: je mag er zijn zoals je bent en zoals je worden kunt.

Zo moge het zijn – mogen wij zo elkaar tot zegen zijn.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *