Opstaan uit wat dood maakt
Overweging op zondag 22 maart door Arthur van Tongeren
Bij: Ezekiël 37, 1-14 en Johannes 11, 1-4.17-44
Het zijn twee wonderbaarlijke verhalen die we hoorden in de lezingen van vandaag. Verhalen over doden die geroepen worden en opstaan en weer levend worden. Wat moet je daar nu mee? Hoe dit te verstaan? Want doden die zomaar weer gaan leven, dat is ongekend, ongehoord, ja onbestaanbaar zelfs… Het kan gewoon niet. En, zoals de Vlaamse theoloog Roger Lenaers zei: ‘Wat nu niet kan, kon toen ook niet.’ En toch hoorden we daarnet twee getuigenissen van het tegendeel.
Het volk van Israël staat op uit de dood
Het eerste komt van Ezekiël, profeet van professie ten tijde van de eerste ballingschap, zo’n 600 jaar voor het begin van onze jaartelling. Terwijl hij met het weggevoerde Joodse volk treurt in het verre Babylon, voert de hand van De Ene hem mee naar een dal vol doodsbeenderen. En De Ene vraagt hem: ‘Wat denk je, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ezekiël weet het net zo min als wij, en antwoordt heel tactisch ‘Dat weet Gij alleen.’ Wat dan volgt is een scène die het heel goed zou doen in een film. Nadat Ezekiël de hem opgedragen profetie heeft uitgesproken, voegen beenderen zich aaneen, komen er pezen, spieren en huid op, maar nog steeds zijn ze dood. Pas nadat de levensadem is ingeblazen staan ze op en leven – ‘het is een onafzienbare menigte’, staat er. Het is niet enkel dat, het is een volk dat hier staat: het uitverkoren volk Israël. Nu nog moedeloos, zittend en treurend aan de oevers van Babylons rivieren, maar straks, zo zegt de Enige, keer ik jullie weer ten leven, voer je terug naar het land waar je thuishoort. ‘En jullie zullen weten dat ik de Enige ben.’ Want daar draait dit hele visioen om: het volk Israël dat is afgedwaald van de rechte weg, de paden van het recht, de weg van de Ene, de Thora, wordt gered ondanks alles. Die Ene van Israël straft wel, maar is niet genadeloos. Die genoemd wordt Ik-zal, laat hen niet in de steek – zelfs niet als zij zich van Hem/Haar hebben afgekeerd. Die zal bevrijden, doen herleven, opnieuw beginnen keer op keer op keer.
Lazarus staat op uit de dood
Het tweede getuigenis komt van Johannes. Hier gaat het niet over een visioen van een profeet, maar we horen van een goede vriend van Jezus die ziek is, en waarvan de verwanten Jezus laten roepen. Deze gaat echter niet onmiddellijk op weg naar Betanië, waar de zieke Lazarus en zijn zusters Marta en Maria zich bevinden, maar zegt ietwat cryptisch: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ Pas na twee dagen wachten, op de derde dag, maakt hij aanstalten – terwijl zijn leerlingen hem proberen tegen te houden, omdat zo dicht bij Jeruzalem zijn leven gevaar loopt. Wanneer hij dan uiteindelijk arriveert, blijkt Lazarus al gestorven – te laat, er valt hier niets meer te doen. ‘Als u hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn’, zegt Marta, ‘maar ik weet dat God u alles zal geven wat u vraagt.’ Blijkbaar heeft ze een groot geloof in Jezus. Als hij haar zegt dat haar broer zal opstaan, denkt zij dat Jezus verwijst naar de laatste dag. Maar hij zegt ‘Nú zal hij herrijzen, Marta, nu. Ik ben de opstanding en het leven … wie in mij gelooft zal nooit sterven.’ Een openbaring die doet denken aan een soortgelijke die Jezus eerder sprak tot de Samaritaanse bij de waterput. En net als die vrouw toen, zegt Marta: ‘Ik geloof dat u de Messias bent.’ Johannes wil niet dat wij geloven in een opstanding ergens ver weg in de tijd. Nee, deze opstanding begint hier en nu.
Als Maria, de andere zus van de gestorven Lazarus, bij Jezus komt begint ook zij: ‘Als u eerder hier was geweest, was mijn broer niet gestorven!’ En zij weeklaagt en weent, samen met de Joden die haar vergezellen. En Jezus ergerde zich, staat er. Waarom? Omdat zij het ook al niet begrijpen, niet snappen wie hij is en waarom hij hier is? Omdat hij kwaad is dat zijn vriend gestorven is? Maar dat wist hij, getuige zijn eerdere uitspraak naar zijn leerlingen over de eer van God, en de Zoon die geëerd zal worden. En ontredderd door de smart van al die rouwenden vraagt hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Dezelfde woorden die Maria van Magdala korte tijd later, op die eerste paasmorgen, zal stellen bij het lege graf van Jezus. En ze voeren de wenende Jezus mee naar het graf van zijn gestorven vriend Lazarus. Als hij vraagt de steen weg te nemen uit Marta haar twijfels, in verband met de stank van het reeds vier dagen dode lichaam van haar broer – blijkbaar was Lazarus al gestorven toen het bericht van zijn ziekte Jezus bereikte. En Jezus wijst haar terecht: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ Ja, zeggen dat je gelooft is één ding, maar daar daadwerkelijk in volharden op het moment dat je met iets onmogelijks geconfronteerd wordt, is andere koek. Dan wordt de steen weggehaald en dankt Jezus God, omdat deze hem heeft gehoord, en omdat nu het daar verzamelde volk tot geloof zal kunnen komen. En hij roept: ‘Lazarus, kom naar buiten!’, en deze komt omzwachteld en wel tevoorschijn. En velen kwamen die dag tot geloof, schrijft Johannes een paar verzen verderop. Dat is immers de bedoeling – van Jezus, getuige zijn woorden, maar vooral ook van Johannes die het allemaal zo mooi voor ons uittekent. Hij gunt ons hier alvast een doorkijkje naar dat andere opstandingsverhaal, dat we met Pasen weer gaan horen.
Een waarachtig geloofsverhaal
Is dit nu allemaal letterlijk zo gebeurd, is het waar? En hoe kan dat dan? Een tijd geleden was ik in gesprek met een acteur van Het Zuidelijk Toneel over een aankomende voorstelling, losjes gebaseerd op Don Quichot van Cervantes. Hij stelde me de vraag: ‘Wat is beter: de feiten of een goed verhaal?’ En ik antwoordde hem: het laatste. Zo is het ook hier.
De Schrift is geen geschiedenisboek, geen chronologische opsomming van feiten. Het is een geloofsverhaal. Het is de neerslag van de levenservaring en wijsheid van een volk. Een volk dat met vallen en opstaan probeert een omgang te vinden met die moeilijke God van ze, Ik-zal-er-zijn genoemd, die enkel Stem is. Die mensen oproept om voor elkaar een naaste te zijn en in godsnaam elkaar te bevrijden. Zo je wilt, is ook dit verhaal in die zin op te vatten: als een oproep om te kiezen voor het leven, je niet neer te leggen bij de gangbare opvattingen en feiten. Om al gaande op die weg van de Ene, de dood te verslaan die mensen neerdrukt in een uitzichtloos en goddeloos bestaan. Want niet voor chaos, duister en dood zijn wij geschapen, maar om te leven in het volle licht. Daarvan getuigt diezelfde Schrift steeds weer opnieuw. Ze roept ons op om op te staan uit al wat dood maakt. Dat we licht zijn in deze wereld. Dat we opstaan, bevrijden, verlichten. Dat we opstandig leven. En dan zal dood niet meer zijn. Nooit meer.
Moge het zo zijn.



Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!