Dat wij elkaar behoeden en doen leven!
Overweging op zondag 6 september 2026
door Ineke Lamers
Bij: Ezechiël 33, 7-9 en Mattheüs 18, 1-20
Vandaag, aan het begin van ons pastorale jaar, worden we door de Schriften aangesproken op onze verantwoordelijkheid voor elkaar als het gaat om wat het goede leven is in Gods naam. Bij Ezechiël wordt een wachter aangesteld met de opdracht om de woorden van de ENE voortdurend onder de aandacht te brengen.
Bij Mattheüs gaan we van grootsten, naar kinderen, naar geringen, naar zondigende broeders, misschien ook zusters, en hoe daarmee om te gaan. Het is een lange lezing (dat is mijn schuld, ik wilde ons niet beperken tot vijf verzen zonder context) en ingewikkeld, vond ik tenminste. Daarom concentreer ik me in de overweging daarop. Maar de onderlinge verantwoordelijkheid voor het juiste pad gaan zoals we die bij Ezechiël horen, resoneert op de achtergrond mee.
Wie is de grootste in het koninkrijk van de hemel?
Het is toch gewoon een onbehoorlijke vraag: ‘Wie is er eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’ Hoe durven ze ‘m te stellen? Daarvoor moet je terug in de tekst. In Mattheüs 17, 22-23 horen we Jezus tegen zijn leerlingen zeggen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen. Die zullen hem doden, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt. Dit maakte hen zeer bedroefd.’
Daar moet wel op teruggekomen worden! Je volgt een leraar, een meester, een rabbi die zijn eigen lijden en dood aankondigt!? Hoe ziet dat koninkrijk van de hemel er dan uit? Wat is grootsheid dan eigenlijk? En opgewekt worden uit de dood, dat is toch onvoorstelbaar? Onbegrip, wanhoop verschuilen zich eerder achter deze plompverloren vraag dan statusbeluste leerlingen…
Worden als een kind
Jezus antwoordt eerst heel concreet: ‘Word als dit jonge kind hier in jullie midden. Dan zul je het koninkrijk van de hemel binnengaan. De kleinste, de nederigste zal de grootste zijn. In het kind ben ik terug te vinden.’ Dat is al genoeg gedachtenvoedsel: hoe word je, blijf je als een kind?
Dan, in vers 6 en verder horen we over het omgaan met de geringen, de kleinen letterlijk, die in Jezus geloven. Zijn dat nog steeds de kinderen? Het lijkt logischer dat het hier over de leerlingen van nu en in de toekomst gaat: zoekers, twijfelaars, gebrekkig in hun geloof. Want Jezus spreekt nogal zware taal over het voorkomen van zonde: het is beter om handen, voeten, ogen die je op een verkeerde weg leiden af te hakken, uit te rukken en weg te doen. Zeg je dat over kinderen?
Afgedwaalde schapen
En verderop volgt een kleine parabel: voor degene die in het bezit is van honderd schapen is elk schaap van belang, zoals ook de ENE niet wil dat een van deze geringen verloren gaat. ‘Verloren gaan’ en ‘geloven’ lijken me in verbinding te staan. Verloren gaan verwijst hier naar afdwalen van de juiste weg, wegraken van de Tora zoals Jezus die verkondigt. Geloven is hem daarin volgen. Van jonge kinderen wordt dit nog niet gevraagd, maar van volwassenen (en dat is in Bijbelse tijden overigens een stuk jonger dan nu) wordt gevraagd dit pad wel te gaan én het te wijzen aan anderen. Maar het is geen gemakkelijke weg, je bent kwetsbaar, je zult falen, zelfs zondigen.
Vanaf vers 15 gaat het over een broeder die zondigt tegen een broeder. Onze vertaling heeft voor broeder-en-zuster gekozen waar er in het Grieks staat: jouw broeder. Pieter Oussoren, de vertaler van de Naardense bijbel zegt ergens: ‘Ik aarzel om hier broeder en zuster te vertalen. Want zondigen is in de Bijbel vooral mannenwerk.’ In het tweede Testament wordt twee keer gezegd dat een bepaalde vrouw gezondigd heeft en beide keren gaat het over seksuele ontrouw, overspel. De aarzeling van Oussoren is terecht. Maar degenen onder ons die zich als vrouw identificeren weten heel goed dat wij wel degelijk in staat zijn om te zondigen, om anderen onrecht aan te doen, ook als het niet over seksuele ontrouw gaat. Dus laten we ons allemaal maar aangesproken weten…
Dus de vraag is aan ons allen: wat doe je als er binnen in een gemeenschap van Jezusvolgelingen tegen jou gezondigd wordt? Als jou onrecht gedaan wordt? Die escalatieladder wordt hier heel concreet uitgewerkt. Om te beginnen: je houdt het klein! Je verzamelt de moed en het lef om diegene rechtstreeks aan te spreken. Wordt er niet geluisterd, verzamel getuigen en probeer het nog eens. Werkt ook dat niet, leg dan je zaak aan de gemeenschap voor. En als dat ook niet werkt, behandel die broeder dan als een heiden of een tollenaar. Dat wil zeggen: als iemand die voortaan buiten de gemeenschap valt. Dan is het verder aan de ENE om te oordelen.
In verbinding blijven
Het perspectief wat hier ontbreekt is dat van degene die gezondigd zou hebben. Die lijkt op voorhand al geen kant uit te kunnen. Wat als er een stap 0 is op de escalatieladder is: je probeert samen te spreken over wat er voorgevallen is, over hoe ieder dit beleefd heeft, over achterliggende beweegredenen. Anders gezegd: je doet daar je uiterste best om in verbinding te blijven met elkaar. Dat heeft oude papieren in de Tora. Terechtwijzen mag niet gebeuren vanuit haat of wraak maar om de beschadigde relatie te herstellen. Het eerste gebod is: heb de ENE lief. Het tweede gebod is: heb de ander lief zoals je jezelf liefhebt. Die twee horen bij elkaar.
Maar: de relatie herstellen is niet ‘vergeten en vergeven’, met de mantel der liefde of vrome woorden onrecht bedekken. En: zelfs als een mens onaanspreekbaar is en blijft, blijft die mens een schepsel van de ENE. Daarom is het 2000 jaar later de vraag wat deze uitspraak betekent: ‘Al wat jullie op aarde binden en ontbinden, zal ook in de hemel gebonden en ontbonden zijn’… We weten immers maar al te goed wat er mis kan gaan, met de beste bedoelingen soms, in christelijke gemeenschappen.
Jezus als bemiddelaar
Misschien moeten we ons vooral concentreren op dat samen zijn van twee of drie in Jezus’ naam. Dat wil zeggen: waar twee of drie in zijn naam proberen een verstoorde relatie te herstellen, daar is Jezus in hun midden. En in dat proberen werkelijk met elkaar te spreken en naar elkaar te luisteren wordt al recht gedaan. Het blijft kwetsbaar, het vraagt om behoedzaamheid én de sprong durven wagen naar elkaar. Het vraagt soms om een moed die bovenmenselijk is. Maar we mogen hopen en bidden dat de ENE ons dan tegemoet wil komen.
Amen



Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!