Van wie ben jij er een?

Overweging op zondag 18 oktober 2026 door Ineke Lamers

Bij: Jesaja 45, 1-7 en Matteüs 22, 15-22

 

Van wie ben jij er een? Als je dat aan mij vraagt zeg ik eerst: van Jan Lamers en Martha Franken. Uit hen ben ik voortgekomen, door hen ben ik voor een belangrijk deel wie ik ben.

Maar vandaag is die vraag anders bedoeld: wat betekent het dat wij schepsels zijn, geen eigen maaksels? Wat betekent het dat wij volgens de Schriften geschapen zijn naar beeld en gelijkenis van de ENE? Ook als je daar geen weet van hebt? Wat te doen als machtigen zich gedragen alsof ze goden zijn?

De vraag aan ons is: van wie wil jij er een zijn?

Een ‘eenling’ die onrust brengt

In het evangelie van Matteüs wordt het steeds spannender vanaf het moment dat Jezus Jeruzalem binnen gaat. De rode loper in de vorm van palmtakken wordt door de mensen voor hem uitgerold en hij gaat meteen aan de slag: met het verdrijven van kopers en verkopers uit de tempel en het genezen van blinde en verlamde mensen in de tempel. En waar er eerder al confrontaties waren met vertegenwoordigers van andere Joodse stromingen zoals de Farizeeën en Sadduceeën, komen in Jeruzalem ook de hogepriesters in beeld. En vandaag komen daar nog de Herodianen bij. Het laat zien, dat het Jodendom in de dagen van Jezus verschillende zienswijzen kende over hoe de Schriften te interpreteren en dus over hoe het leven in Gods Naam te leiden.

Jezus brengt als leraar en heler onrust, hij lijkt een eenling die gevestigde belangen en overtuigingen opschudt. En zeker in Jeruzalem, politiek, administratief en religieus centrum, kristalliseert die onrust zich steeds verder uit. Vanaf hoofdstuk 21, als Jezus in Jeruzalem is, onderricht hij in de tempel. En meteen wordt hij kritisch bevraagd: hoezo zeggen kinderen ‘Hosanna voor de zoon van David’ over Jezus? Met welk gezag onderricht Jezus eigenlijk? En hij zegt tegen zijn critici: hoezo hebben jullie je niet bekeerd? Johannes heeft jullie toch al de rechte weg laten zien? En steeds meer oordeelt Jezus over zijn tegenstanders: ‘velen zijn geroepen maar slechts weinigen uitverkoren’.

Op de proef gesteld

De twistgesprekken lijken niet te winnen door hen. Daarom sturen Farizeeën en Herodianen vandaag hun leerlingen op Jezus af om hem een strikvraag te stellen: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?

Tricky, zo’n vraag in een bezet land, waar de machthebbers door midden van vaak zware belastingen hun rijk in stand houden en waar mogelijk uitbreiden. ‘Ja zeggen’ zal worden begrepen als collaboreren met de bezetter en ontrouw aan je eigen joods zijn, ‘nee zeggen’ leidt hoogstwaarschijnlijk tot problemen met de wereldlijke autoriteiten. Er is altijd wel iemand die zoiets doorbrieft.

De vragenstellers krijgen een wedervraag: ‘Laat eens zo’n munt zien waarmee je belasting moet betalen’. Zij hebben blijkbaar Romeins geld op zak en daarop staat een afbeelding van de keizer. ‘Van wie is dit een afbeelding?’ vraagt Jezus. Van een mens die zichzelf goddelijkheid heeft aangemeten. Dat is natuurlijk in Joods perspectief volkomen onmogelijk, heiligschennis. Immers: niets en niemand is God behalve de ENE zelf. Daarom is er speciaal geld met neutrale afbeeldingen dat in de tempel gebruikt wordt om een offerdier te kunnen kopen, om God te eren met dat offer, om vergeving te vragen met zo’n offer. Daarom is er geen afbeelding die ook maar enigszins verbeeldt wie de ENE is.

Jezus bekijkt die Romeinse munt en zegt: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer’. Het is zelfs een spreekwoord geworden.

Wereldlijke versus goddelijke macht

Met deze uitspraak, zou je kunnen zeggen, sluit Jezus in zekere zin aan bij de lezing uit Jesaja. Daar wordt koning Cyrus gepresenteerd als een werktuig van de ENE in de bevrijding van Jeruzalem. Een vreemdeling is de bevrijder, het goede kan komen van buiten de gemeenschap. Het is niet uitgesloten dat een menselijke koning rechtvaardigheid brengt. Maar Cyrus kan dit alleen bereiken, zo zegt de profeet, omdat de ENE hem die kracht en die mogelijkheden geeft.

Zelfs oppermachtige leiders, en we kennen er genoeg, blijven sterfelijke mensen. ‘Hoe zullen zij volbrengen wat door de eeuwen duren moet: een mens te zijn die sterven moet?’ Hun antwoord is: geen vertrouwen hebben in anderen, macht nastreven door list en bedrog, door oorlog en ander geweld. Hun menselijkheid offeren ze op, ze laten zich aanbidden. Maar ze zullen nooit worden als de ENE, hoeveel belasting ze ook afdwingen.

Wij behoren toe aan de ene

En daarom is het tweede deel van het antwoord van Jezus veel belangrijker: ‘… en geef aan God wat God toebehoort.’ Dat is geen spreekwoord geworden, maar hier draait het om. Immers: wij hebben onszelf niet gemaakt. Wij zijn gemaakt, door onze ouders en uiteindelijk door de ENE zelf die alles in het leven heeft geroepen. Wij behoren toe aan die ENE. En in dat antwoord wordt richting gegeven aan het leven, in ieder geval aan een mensenleven. Recht en gerechtigheid, helen wat kan, voorrang voor armen en behoeftigen: dat is wat volgens Jezus beeld en gelijkenis zijn betekent, waarin hij tot het uiterste gaat.

Geef dan wat van de keizer is aan de keizer en geef aan God wat God toebehoort.

Van wie wil jij er een zijn?

Jezus laat zich dus niet verleiden tot ja of nee, maar stelt prioriteiten. En de vragenstellers zijn er stil van en laten hem met rust.

Hoe leven we als beeld en gelijkenis van de ENE? Hoe leven we met de zekerheid van de dood? Hoe leven we met alle onzekerheden? Hoe blijven we de blik gericht houden op schoonheid, waarheid, goedheid, ook als alles verloren dreigt te gaan?

Daar is geen eenvoudig antwoord op. Maar er valt wel wat te kiezen: van wie wil jij er een zijn? Van de mechanismen van macht en onmacht, overheersing, afgoderij? Of van die bron die leven doet, die groei en bloei aan alles en allen gunt?

De keuze is aan ons.

Amen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *